In Het woord en de wereld. Duidingen van een dichter onderzoekt Piet Gerbrandy (1958) in navolging van Aristoteles ‘wat het is te zijn’. Hij werpt zijn dichterlijke blik op een breed scala van onderwerpen, van de Oudheid en Dante tot aan H.C. ten Berge en Obe Postma. Zijn kijk op de wereld is vaak origineel, soms vergezocht, maar altijd fascinerend.
Gerbrandy’s oordeel doet ertoe, omdat hij zelf een van de beste Nederlandstalige dichters van dit moment is. U kunt zijn beoordelingscriteria voor goede poëzie terugvinden in het essay ‘De slapende hond in. Wat maakt een versregel geslaagd?’ (Poëziekrant, 2024–01). Dat Gerbrandy zelf een auditief ingestelde dichter is, was bekend. Hij benadrukt het opnieuw in zijn definitie van poëzie als ‘muziek die al dan niet via omwegen zinvolle gedachten meedeelt.’ Het is dus geen wonder dat hij het werk van Bob Dylan – terecht – als poëzie beschouwt.
Het is met name interessant om te lezen wat Gerbrandy over zijn kunstbroeders te zeggen heeft, bijvoorbeeld over H.C. ten Berge, die onlangs zijn prachtige zwanenzang Hier & Ginder publiceerde. Gerbrandy is goed thuis in het werk van Ten Berge – hij zat samen met Mathijs Sanders en Carl De Strycker in de redactie van het eind 2023 bij PoëzieCentrum verschenen Ten Berge Handboek.
Lees hier het essay ‘
De slapende hond
in. Wat maakt een
versregel geslaagd?’
Over Ten Berge schrijft Gerbrandy dat ‘alle dichters, althans de goede dichters, […] naar gelang hun temperament op zoek [zijn] naar de diepste kern van het bestaan.’ In de poëzie staat er nogal wat op het spel. Voor rijmelaars heeft Gerbrandy geen tijd. Ten Berge noemt hij ‘verbluffend veelzijdig’. Het is volgens Gerbrandy ‘alsof Ten Berge alle genres, van nuchtere wetenschap tot bezielde lyriek, van epos tot haiku, van carnavaleske uitbundigheid tot ascetische zelfinkeer, in zijn poëzie een plaats heeft willen geven.’ En zo hoort het.

Hoewel de essays waanzinnig erudiet en ronduit fascinerend zijn, waaieren ze soms wijd uit. Gerbrandy kan ook geweldig uit de bocht vliegen: ‘Met sociaal darwinisme lossen we de crisis van klimaat en kapitalisme niet op. Er wordt wel gefluisterd dat de populariteit van het concept symbiose een marxistisch of ecofeministisch ideaal dichterbij brengt.’ Het is soms moeilijk om Gerbrandy serieus te nemen als je dit soort uitspraken leest.

Net zo vaak ben je het echter roerend met hem eens, bijvoorbeeld wanneer hij waarschuwt voor morele superioriteit als we het hebben over de zwarte bladzijde uit Luceberts verleden. Bij het herlezen van Luceberts werk met de kennis die we sinds de biografie van Wim Hazeu hebben, wil Gerbrandy nog weleens te veel zoeken naar autobiografische details. Ook deze uitspraak is vergezocht: ‘Hij las Goethe, Hölderin, Nietzsche en Rilke, en mogelijk heeft de verwantschap die hij met deze schrijvers voelde er mede toe geleid dat hij in de oorlog enige tijd nazistische sympathieën koesterde.’
Toch is Gerbrandy een van de beste poëziecritici van Nederland. Naar goed modernistisch gebruik zal hij altijd proberen om tot een sluitende analyse te komen: ‘Hoe chaotisch of onzinnig een combinatie van woorden of verschijnselen ook is, we zullen altijd net zo lang zoeken totdat we er een min of meer coherent geheel van hebben gemaakt. We kunnen niet anders.’ Het essay leent zich daar uitstekend voor.