Dit artikel is gratis.

Op 7 augustus overleed Lucienne Stassaert (1936-2026) op negentigjarige leeftijd. Ze was naast dichter en prozaïst ook toneelschrijver, vertaler, beeldend kunstenaar en pianist. Stassaert laat een zeer omvangrijk oeuvre na waaraan ze tot aan haar overlijden werkte en dat tot op de dag van vandaag slechts bekend is bij een kleine kring liefhebbers.

Lucienne Stassaert, 1975 (c) Filip Tas (elke vorm van reproductie is onderhevig aan copyright) - Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis

Eind juni nog verscheen het handboek ter ere van de negentigste verjaardag van Lucienne Stassaert. Een goede maand later is ze overleden. Nochtans was haar sterven niet volledig onvoorbereid; in het werk van Stassaert lag de dood altijd op de loer. De levensangst en de onontkoombaarheid aan de dood waren centrale thema’s.

In 1965 ruilt Stassaert haar pianocarrière in voor de literatuur en schilderkunst. Tijdens haar vroege jaren breidt ze haar artistieke netwerk in Antwerpen uit. Die stad blijft het centrum van haar praktijk en keert ook in haar literair werk terug, met scènes in de havenbuurt en kunstenaarscafés. Stassaert maakt kennis met kunstenaars rond het tijdschrift Labris, de zogenaamde zestigers of neo-experimentelen, zoals Max Kazan (pseudoniem van Jef Bierkens, die in februari overleed), Marcel van Maele en Hugo Neefs.

Ze debuteert in 1964 met het poëtisch prozawerk Jonkvrouw met de spade, dat ze uitbrengt in eigen beheer. Samen met Kazan creëert Stassaert de gestencilde poëziebundel Bongobloesembloed, een jazzachtig poëziewerk vol hermetische beelden. Het levert haar de stempel ‘experimenteel’ op, een label waartegen ze zich gedurende de rest van haar leven verzet. Ondanks de verschillende prijzen die Stassaert ontving, zoals de de Prijs van De Vlaamse Gids (1974), de Visser-Neerlandiaprijs (1975), de Arkprijs van Het Vrije Woord (1979) en de Provinciale Prijs voor Letterkunde van de provincie Antwerpen (1992), is haar werk inderdaad niet bekend bij het grote publiek.

Naar eigen zeggen sluit ze deze ‘experimentele periode’ in 1975 af met Een kleine zeeanemoon, waarin ze een autonome schriftuur combineert met autobiografische en sociaalkritische passages. De vraag naar de relatie tussen hoogstaande kunst en sociaal engagement houdt haar lang bezig. Stassaert was zelf betrokken bij de linkse beweging AMADA en de dokwerkersstaking in Antwerpen. Ze schrijft onder meer toneelstukken als De fiets, De ladder (beide uit 1971) en Best mogelijk (1975) die zich afspelen in het arbeidersmilieu.

In de meer dan twintig dichtbundels die de decennia daarna verschijnen, zoals in Vergeten grens (1975), De sprekende gelijkenis (1978) en Rui (1986), sluimeren vergankelijkheid, afscheid en de dood. Stassaert streeft naar haast mystieke taalcomposities die haar muzikale achtergrond verraden, of de vorm nu eerder open of hermetisch is. In haar oeuvre maakt Stassaert komaf met het verleden dat haar altijd is blijven volgen: ‘Het verleden een rivier / Met de zuigkracht van een moeras’, zoals ze het verwoordt in de cyclus ‘Zo dicht als een brief’ uit Keerpunt.

Op de vlucht naar het niemandsland - Lucienne Stassaert

Uitgeverij P publiceert vanaf de jaren negentig een hele reeks dichtbundels en vertalingen, tot aan De overkant van de tijd / Op de valreep in 2023. Stassaert schildert zelf de meeste omslagen. Haar persoonlijke ervaringen met kanker geven een nieuwe invulling aan de thema’s vergankelijkheid en dood, zoals in In het laai van het vuur (2008) en Keerpunt (2009).

Zo goed als dood liep ik
aan de arm van mijn ziel
de wereld uit.

Ze zei: “vertrouw nu maar op mij.
Ik ben al uit je stofkleed gestapt
toen jij nog aan het leven was.

De donkerte stelt niets meer voor.
We zwemmen weldra in een witter
weerlicht zonder vinnen weg
van hier, waar een oudzieke god

verstrengeld is van uitputting.
De eeuwigheid? Die valt wel eens
in iemand in die aan ons denkt.”

Uit het gedicht ‘Dooizout’ uit de dichtbundel Keerpunt (2009)

Na de publicatie van romans en verhalenbundels als De houtworm (1970), Parfait amour (1979) en Het zomeruur (1984) vertaalt Stassaert dichters met wie ze zich verwant voelt, zoals Sylvia Plath, Emily Dickinson en Hadewijch. Met kunstenaarsproza over Alphra Behn en Edvard Munchs tante Karen, en gedichten over Camille Claudel, brengt ze de disciplines van literatuur en beeldende kunst samen, en belicht ze expliciet vrouwelijke kunstenaars.
Haar interessantste werk schreef Stassaert naar eigen zeggen pas de afgelopen jaren: de dagboekenreeks Souvenirs of Aantekeningen in de loop van de tijd. Ze vormen de sleutel tot haar werk en leven.

Lucienne Stassaert (c) Regine Ganzevoort

Vorige zomer bezocht ik Stassaert in Antwerpen. In haar serviceflat hingen verfvegen aan de muren en lagen haar schilderschetsen en boeken op haar schrijftafel. ‘Moet ik al doodgaan, misschien?’ antwoordde ze op het schilderverbod dat het zorgpersoneel haar probeerde op te leggen. Het getuigt van Stassaerts scherpe geest en onverbiddelijke toewijding aan haar werk. Afscheid nemen van het leven en dat van anderen doet ze in haar werk al decennialang. Haar overlijden mag vooral geen afscheid van haar werk zelf zijn. Stassaert laat een stilistisch divers, maar thematisch doorwrocht oeuvre na. Ze was een originele, erudiete kunstenaar die de taal niet zomaar voor lief nam.

---

Lucienne Stassaert leest een gedicht n.a.v. Poëzieweek 2021