Dit artikel is gratis.

Laatst schreef ik een condoleancekaart, naar mijn tante en haar kinderen, mijn nichten. Op zo’n kaart ontbreekt heel zichtbaar één naam – die van degene die wordt betreurd. Het is een vreemde gewaarwording. Eén geadresseerde is er niet meer – en hij of zij is juist de aanleiding van het schrijven.            

Deze gedachte verbond zich met de opdracht vooraan in Toen ik je kwijtraakte , de tweede bundel van Joost Baars (1975): ‘voor mijn moeder, Trees de Jongh-Winter (1949-2021)’. Baars verwoordt de gedachte ook zelf, halverwege de bundel: ‘zoals het feit / dat ik mijn bundel aan je opdraag // ontroerend is voor lezers, maar voor mij / iets waar jij nooit meer de ontvanger // van kunt worden’.            

Op één of andere manier las ik de openingsregel van het gelijknamige gedicht ‘heb jij vandaag gedachten over mij gehad mama?’ als gericht aan de dode, de al gestorven moeder. Een intrigerende omdraaiing. Want waarom zouden de doden hun levenden niet missen, waarom zouden zij niet aan hen denken? Getuige de volgende regels was mijn intuïtieve lezing gegrond: ‘is dat // de oorzaak van die rare hoop dat ik in / jouw gedachten ben in plaats van jij // in die van mij?’               

De kern, ook ‘ruimtelijk’, van deze delicate bundel wordt gevormd door de reeks ‘toen ik je kwijtraakte’. Deze cyclus begint met ‘toen ik je kwijtraakte, de eerste keer’ en eindigt met ‘toen ik je kwijtraakte, de achtentwintigste keer’. Het woord ‘cyclus’ is hier ook daadwerkelijk op zijn plaats. Het gaat om een telkens terugkerende gebeurtenis, een cyclische geschiedenis. Het verliezen is niet eenmalig, maar vindt in talloze varianten plaats. De verlorene is een verdichting, een aaneensmeden van meerdere dierbaren die zijn gestorven; een soort ‘oer-verlorene’, hoewel primair de moeder.  

In het tweede gedicht lijkt de betreurde een kat te zijn (een overleden geliefd huisdier?): ‘toen ik je kwijtraakte, / de eerste keer, // lag ik verstopt / onder de dekens, // jij boven op me, de kussentjes // onder je poten / zichtbaar // over de rand / van de sprei.’ Het is betekenisvol dat het hier om een ontvallen kat gaat; een kat heeft immers volgens het Nederlandse gezegde negen levens (en in andere culturen zeven), en hier past het repetitieve patroon wonderwel. Het geeft deze reeks een mythisch en sprookjesachtig karakter, iets bezwerends.            

Het hieropvolgende gedicht begint met: ‘toen ik je kwijtraakte, / de eerste keer, // greep iemand mij uit / je armen, zette / mij in het water, // dat me volkomen / omvatte’. Het grote eerste ‘trauma’ van het ter wereld komen, het ‘uit handen gegeven’ worden, niet meer fysiek verbonden met de moeder.

Een heldere referentie aan de mythologie valt te lezen in deze scène: ‘toen ik je kwijtraakte, de vierde keer, // zag ik dat je in slaap was/sloop dichterbij, // scheurde een stuk / uit mijn kuit,// en toen je gaapte, / stak ik het in je mond.’ Als de ander hier monddood wordt gemaakt, dan wel door een vorm van zelfamputatie door de ik.            

In een volgend gedicht blijft juist de ander de ik in de strot steken, als een onoplosbaar brok in de keel, een blokkade. Hij vermagert  – ‘naarstig ging ik / op zoek naar een mes.’              

Toen ik je kwijtraakte is een gevoelvolle, welluidende bundel – zowel over als voor de moeder van de dichter maar vooral om zijn moeder heen geschreven . Om zijn moeder heen, die precies paste in het gat waarin zij nu ontbreekt: ‘mijn tweede bundel is nu bijna klaar, / mama. hij gaat meer over jou // dan mijn bedoeling was, en toch / kom je er amper in // naar voren.’