Landverrader, de nieuwe bundel van Derek Otte (1988), verschijnt vlak voordat de gelijknamige theatertour van start gaat, en omdat Otte een spoken word-artiest is, kun je je voorstellen dat het effect van veel teksten op het podium nog sterker is. De titel van bundel en show — legt Otto in een van de motto’s uit — verwijst naar de oorspronkelijke Middelnederlandse betekenis van het woord ‘verraden’: ‘meer kennis geven dan wellicht wenselijk is.’ Het is in die geest dat ik als disclaimer wil meegeven dat ik niet naar het theater ben geweest; voor dit stukje heb ik alleen de bundel gelezen.
.jpg)
Het eerste gedicht leest als een kleine beginselverklaring; de mensheid is op haar best wanneer je de dingen samen doet: ‘het allermooiste moois / is uit samenkomst ontstaan’. We zitten in de afdeling ‘Liefdes’ en die straalt van het positivisme, zelfs wanneer Otte schrijft over een miskraam. Rechttoe rechtaan met taal die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en die troostrijk wil zijn, Otte is geen dichter die voor zichzelf schrijft. Dat blijkt ook uit de tweede afdeling, ‘Buitenwereld’, waarin vooral de situatie in Gaza woede oproept. In een gedicht als ‘Echo’s’ maken de metaforen geen omwegen:
ondertussen in Gaza
waar de kinderen slapen
met een glimlach voor eeuwig
in de huilende aarde
onder het puin van voorbij
onder westerse waarden,
klinken enkel de echo’s
van wie wij als mens waren
Ook de derde afdeling, ‘Binnenland’, stemt weinig vrolijk, al schetst Otte de situatie in het land niet louter grimmig. Ik grinnik instemmend wanneer hij opmerkt: ‘je kán, tegenwoordig, óók… / helemaal niks meer zeggen / gewoon je bek houden, zeg maar’.
Niet alles is zo beknopt: er staan ook een paar langere, autobiografische stukken in. Een liefdesverklaring over Rotterdam, een analyse van zijn eigen kaalheid, een oproep om niet fatalistisch weg te duiken: ‘We zijn geen eindpunt, maar een doorstart’. En een geweldige opsomming onder de titel ‘Trots op Nederland’, waar natúúrlijk Johan Cruijff en Willem van Hanegem prominent figureren, maar ook Sarina Wigman, Acda en De Munnik, de Euromast, de koopgoot zelfs, Adriaan van Dis én André Rieu, het cassettebandje en de cd. Even simpel als effectief, probeer je daar maar eens níet mee te identificeren. Al helpt het wanneer je Rotterdams bent, want bij de hoofdstad licht hij er alleen ‘Carré’ uit, en dan met enige tegenzin ‘Oké, ook het merendeel van de rest van Amsterdam’.
Ook als dichter toont hij zich typisch een Rotterdammer. Vooral Jules Deelder en Cornelis Bastiaan Vaandrager — ze staan beiden in de ‘Trots op Nederland’-lijst — zingen (of mompelen) soms mee op de achtergrond, wanneer zwarte humor en onverwachte menselijkheid opeens om de hoek komen kijken in korte gedichtjes, waarbij Otte wel explicieter politiek is.
from the river to the sea
onze regering snapt het nie
De laatste afdeling heet ‘Hoop ondanks een hoop’ en daar komt het optimisme van de eerste afdeling weer terug. Wanneer dat optimisme naar naïviteit begint te neigen, geeft Otte aan dat hij dat ook wel weet, door de regels ‘voor wie het / even lezen moet: / het komt allemaal / wel weer goed’ in een kinderlijk handschrift af te drukken. Dat trucje krijg je niet voor elkaar wanneer je staat voor te lezen: goed – en niet alleen daarom – dat Landverrader ook een bundel is geworden.