Joris Iven (1954) kan als dichter, vertaler, toneelschrijver en bloemlezer een opmerkelijk parcours voorleggen. Hij blijkt gefascineerd door dichters als Elizabeth Bishop, Raymond Carver en Michael Ondaatje, maar vertaalde evengoed werk van Nâzim Hikmet en Tahar Ben Jelloun. Zijn eigen (latere) poëzie heeft een autobiografisch, zelfs nostalgisch kantje en is getoonzet in een toegankelijk register dat weleens naar parlando neigt. Zoveel blijkt ook uit zijn elfde bundel Quasi-autobiografisch , die zes reeksen van negen gedichten offreert. Wie de som maakt, komt bij 54 uit, mogelijk een verwijzing naar zijn geboortejaar. Alle reekstitels, zoals ‘Bij wijze van spreken’ en ‘Mijns inziens’, variëren op dezelfde bescheidenheidstopos en zijn nagenoeg inwisselbaar.

Drie clusters van telkens twee reeksen worden voorafgegaan door liedteksten, respectievelijk geïnspireerd op Leonard Cohens weergaloze ‘Closing Time’, Rhiannon Giddens’ ‘Calling Me Home’ en Cohens ‘Dance Me to the End of Love’. Muzikaal aangezette motto’s dus over aantrekking, gemis en liefde. Ze reiken de basismotieven aan en zetten de toon van bijna alle gedichten. Meteen in het eerste gedicht heet het: ‘Een doek aan de muur verbindt me met haar’. Een diep verlangen naar verbinding spreekt uit het beeld van ‘de tweehalzige karaf’, een feilloos middel om ‘in een ingenieus en elegant ballet / één te kunnen worden met Hermaphroditus’. Een verlangen dat evenzeer in bundels als Braziliaans blauw (2012) en De weg naar Pitchipoi (2021) opduikt. En zelfs een kosmische dimensie krijgt in ‘Zoals nooit voorheen’, waarin sprake is van ‘de twee die elkaar omhelzen, / terwijl de sterren een verbinding zoeken’.
Het streven naar verbondenheid staat lijnrecht tegenover een existentieel gevoel van verlorenheid. Het al dan niet bijvoeglijk gebruikt deelwoord ‘verloren’ – of ‘verdwaald’ – lijkt de semantische spil waaromheen Ivens wereldbeeld draait. ‘Wie neemt me nu, verloren, bij de hand?’ is de slotvraag van ‘Lang geleden’. In het bijna-titelgedicht ‘Quasi autobiografische aantekeningen’, waarin het lot van de dichter lijkt op dat van de filosoof, klinkt het onverbiddelijk zo: ‘De wereld is wat verloren is – / en wat verloren is, is een kleinigheid’. Vandaar ook de even paradoxale als hoopvolle gedachte waarmee ‘Mijn doden leven weer’ besluit: ‘Ik zet de ramen open // en sta dicht bij wie ik ben verloren’. Een vers dat verwant is met de nijhoffiaanse aanhef van ‘Conversatie tijdens het souper’: ‘Wat ik schrijf betekent wat er staat, / en daarin vloeit alles samen / wat ons verbindt en scheidt’.
Veel gedichten roepen beelden op van wat de ik ooit beleefde. Al dan niet ‘genadeloze’ terugblikken, (reis)herinneringen, ‘gebroken beloftes’ wisselen elkaar af. Daarin speelt het geheugen – als een autonome instantie – een eigenzinnige rol, alsof het los van de dichter opereert: ‘het geheugen maakt zijn keuzes’. Eenzelfde eigenzinnigheid wordt ‘de woorden’ toegeschreven, het basismateriaal van elke schrijver. Over het eigengereide karakter van die woorden buigt zich menig gedicht. Soms is het gevoel van poëticale onmacht vrij absoluut, zoals in ‘Het lege blad’, dat een reflectie is over wat de dichter vermag én een cultuurhistorische bespiegeling over de weg die de schriftuur heeft afgelegd. Die loopt van op perkament gekraste of met inkt geschreven woorden tot in de onzichtbare woordenwolk van the cloud : ‘Er wordt niet meer met inkt op huid geschreven’, aldus de openingsregel. Met een leeg blad en deze conclusie tot gevolg: ‘Onzichtbare inkt wist alle woorden’. Onweerlegbaar juist, al zijn die van Iven – gelukkig – heelhuids bij de lezer beland.