Dit artikel is gratis.

Laura Mijnders (1991) debuteerde in 2014 met de bundel Nachtschade. In 2021-2022 was ze huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. De bundel Tuinstoelenparadijs (2022) sloot deze periode af. Nu is er haar derde bundel: Tussen vreemden. In sterk autobiografisch geïnspireerde gedichten verkent Mijnders de sporen die blijvend haar levensweg markeren. Het is wel de vraag of dit ook boeiende poëzie oplevert…

Op het eerste gezicht ogen de gedichten, vanuit de voorkeur die Mijnders aan de dag legt voor terzines en kwatrijnen, heel klassiek. Als dan toch aansluiting wordt gezocht bij heersende trends, dan is het door het consequent weren van leestekens. Voor de lezer die de poëzie van Mijnders verder gaat exploreren, valt weinig ‘nieuws’ of opmerkelijks te ontdekken. De gedichten hangen aaneen van algemeenheden als: ‘hoe je ergens lang / kunt blijven hangen zonder ooit gevuld te raken’. Of: ‘met zo veel broers en zussen / ontaardt een gezin al snel in een doolhof’.  In hetzelfde gedicht ‘Mistkind’ lees je verder: ‘[ik] leerde dat de betekenis van het woord naweeën / niet altijd met het baren van een kind te maken heeft / maar eerder met iets dat voortduurt en pijn doet’.

Het is er de dichter in Tussen vreemden om te doen de sporen te verkennen die haar leven gemaakt hebben en maken tot wat het nu is. Er is de aandacht voor het gezin waarin ze is opgegroeid, voor de moeder van wie afscheid dient te worden genomen (‘er is een overschot aan ons en alsmaar minder / van haar’), voor de eigen dochter tegenover wie ze zich onzeker blijft voelen (‘ik staar naar haar alsof ze een vreemde is’), voor haar zoon die niet begrijpt waarom zij weggegaan is (‘ik vertel hem dat / iemand liefhebben soms niet genoeg is // om ergens te blijven’). Enkele uitzonderlijke keren verruimt Mijnders de blik. In ‘Voorbijgangers’ maken ouderen hun opwachting: een paar op een bankje waarvan de man alweer is vergeten wat ze hier deden, of een oudere dame die voor zichzelf een taart gaat kopen, met finaal deze bedenking: ‘in een ontmoeting vindt iemand vrede’.

Mijnders bakent de grenzen af van haar levensruimte, letterlijk en figuurlijk. Het besef dat ze deel is van het geheel, dat ze grondig verweven is met de ander, kan letterlijk worden verstaan als een verbondenheid met de streek. Zij schrijft over het Groningse dorp ‘Zuidbroek’ (‘uiteindelijk begrijpt niemand van ons gezin waarom / we uitgerekend op deze ogenschijnlijk troosteloze vlakte / neerstrijken’) en laat in ‘Groninger bodem’, met onmiskenbaar een allusie op de gaswinning aldaar en de ermee verbonden problemen door aardbevingen, de bodem zelf aan het woord:

ik heb me door de eeuwen nooit drukgemaakt
om voeten die me vertrapten of elementen
die me dreigden te verpulveren

de werkelijke uitdaging kwam met de jaren
ineens werd ik leeggepompt om anderen te
dienen, ik schudde om gehoord te worden  

(…)
in mijn lagen bevindt zich een universum
dat uit elkaar dreigt te barsten

Maar altijd weer vernauwt Mijnders de blik tot de ankerpunten van haar eigen bestaan: de moeder (‘iets beweegt me steeds weer naar je toe’), de beslotenheid van het dorpsleven (‘soms lijken al die mensen / onder mijn huid te kruipen’), de overtuiging dat het hoe dan ook aangewezen is genoegen te nemen met wat er is, ook in de relatie met de geliefde die hier als vluchteling aankwam. Waar het om gaat: denken ‘aan wat we nog altijd hebben, zoiets als dromen // zoiets als samen’.