Aangevlogen uit het schaduwloze is de vierde bundel van Gerrit Massier (1944). Een overkoepelend thema in de zeven afdelingen is het zoeken van het tijdloze in het dagelijkse. Je vindt niets als je naast lawaaiige buren woont, maar wel op de stille heide, waar eeuwenoude aardlagen zijn te zien. Ook de verwantschap van een gedicht met een uit vroeger tijd wekt tijdloosheid op. Zo kun je door het beukenbos in het titelgedicht de appelboom van Kopland zien schemeren. En iedere keer als je eenzelfde gedicht opnieuw leest, wordt het opnieuw geboren.

Massier hanteert in zijn poëzie een beproefd middel: het intensiveren van emoties of existentiële ervaringen door ze juist te relativeren. Deze werkwijze komt goed naar voren in het openingsgedicht, ‘Wilde lijsterbes’, dat ook thematisch illustratief is. De dichter probeert de levenscyclus van de struik te beschrijven en beleeft onderwijl een intens geluksmoment, een welhaast mystieke ervaring. Dat is nogal wat. Hoe beschrijf je zoiets? Hij begint met een kiempje dat komt aangevlogen uit het schaduwloze en ‘in schemering van beukenwoud / [wordt] gedropt’, in het leven dus. Het kiempje groeit uit tot ‘schraal gebogen besje’, maar als het reikt naar het licht wordt het, om met Kopland te spreken, ‘langzaam weer te mooi / om waar te zijn’:
terwijl over het strooisel glijdt
een plasje zon (maan
mag ook), al nader schrijdt
het moment
dat het langzaam volloopt
met bodem, het straalbezopen
gelukkig even
zich getild voelt
tot in het schaduwloze.
‘[E]en plasje zon (maan / mag ook)’, ‘het straalbezopen / gelukkig’: het relativeren heeft geen toelichting nodig. Daarna zet het verval definitief in: ‘zag hoe haar reiken naar het licht / een weerloos wijken werd / voor specht, schimmel, insect.’
De laatste strofe bevat een amusante stijlbreuk: ‘moet het nog zien hoor / hoe het gat gedicht wordt tegen / mijn vergeten’ – ‘gedicht’ kun je hier op twee manieren lezen.
Een enkele keer wil Massier het te mooi doen, en dat is jammer. ‘Stilleven met konijn’ is in aanleg een heel goed gedicht, waarin de grens tussen dood en leven even lijkt te zijn opgeheven. Maar het vaker gespeelde spel met homoniemen of uitdrukkingen (hier: doen of je neus bloedt, het hazenpad kiezen, de adem inhouden, ergens als de dood voor zijn, op stel en sprong) is in dit geval wat geforceerd. Het zijn er te veel.
Stilleven met konijn
hoe omzichtig ook je tijgert
tegen de wind in, doekje
bij quasi-bloedende neus-
plots bliksemt wit pluimpje
uit jouw veld
sterker: dit
tot prooi geslagen hoopje
langs het hazenpad, die
gesperde oogjes, dat
nog warme lijf waarin
de adem met geweld zich
inhoudt – zo lijkt het
als de dood zelfs nog
op sprong in bos en heide
te verdwijnen
als je even niet kijkt
Er zijn meer gedichten die beter hadden gekund, maar al met al is Aangevlogen uit het schaduwloze een aantrekkelijke bundel.