Dit artikel is gratis.

Antoon Van den Braembussche (VdB) is, behalve een fijnzinnig dichter, ook een empathisch ingesteld kunstfilosoof die verschillen en – onvermoede – gelijkenissen tussen het oosterse en westerse mystieke denken onderzoekt. Zijn bevindingen heeft hij uitgewerkt in essays als De stilte en het onuitsprekelijke (2016) en Tekens van het onzichtbare (2021). Bovendien heeft hij een aantal dichtbundels op hetzelfde gedachtegoed geënt. Het gaat met name om het pas gepubliceerde Spiegel van de ziel, dat nauw aansluit bij De schaduw van Morandi (2022) en Alles komt terug (2017). De thematische en iconografische overeenkomsten zijn zo opvallend dat van een trilogie sprake kan zijn.  

Voor een vergelijkende lezing ontbreekt hier de ruimte, maar de nagalm van de verzen ‘teruggekaatst in de echokamer / van mijn ziel’ uit de eerste bundel is alvast hoorbaar in ‘echokamer van de ziel’ in de recente bundel. Zoals ‘spiegel van de ziel’ uit ‘Spiegel im spiegel’ letterlijk terugkeert in het gedicht dat op Arvo Pärts gelijknamige muziekstuk is geïnspireerd. Het knipoogt op zijn beurt naar VdB’s ‘Kleine filosofie van de stilte’ (in De stilte en het onuitsprekelijke ), waarin hij een beschouwing wijdt aan de ‘stilte van de ziel’.

VdB’s poëzie is doortrokken van het inzicht dat woorden niet toereikend zijn om het ‘eeuwige nu’ uit te drukken. In Alles komt terug heet het: ‘Maar toch is er / voorbij de woorden / een gebied / waarin het sprakeloze verdriet / tot ogenblik wordt’. Er is ‘vervoering’ nodig om zoals de Perzische soefidichter Rumi te zoeken naar ‘de diepere stilte die achter de woorden ligt’ ( Tekens ). Diezelfde gedachte leidt in Spiegel van de ziel , dat uit zeven reeksen en een epiloog bestaat, tot een lofzang op ‘Gevonden woorden’. Die kunnen niet rationeel worden bedacht, maar overkomen/overvallen de dichter kwansuis ‘in halfslaap’. In de slotverzen klinkt het zo:  

O gedicht dat ik vond
en als geheim meedraag
naar het onbeschreven blad.  

Ruis uit de duisternis waar ik
niet eens om vroeg.

‘Het onbeschreven blad’ herinnert onwillekeurig aan Ted Hughes’ nachtgedicht ‘The Thought-Fox’ (1957). Daarin is sprake van ‘this blank page where my fingers move’, een vers dat resoneert in Cees Nootebooms gedicht ‘Vos’, waarin ‘een blanco vel’ figureert. Volgens VdB gaat het om ‘het wit van de bladzijde als oceaan van stilte waaruit de poëzie als muziek oprijst’ ( De stilte ). Om wat hij in zijn essay over Paul Celans ‘Todesfuge’ treffend ‘woordsporen van de stilte’ noemt ( Tekens ). Duidelijk is dat VdB, ondanks de beperkingen inherent aan taal, wil reiken naar het onzegbare, de grondeloze ‘leegte’, waarin ook een gestorven geliefde als ‘een verlate echo’ aanwezig blijft. Naar wat hij elders ‘het wezenloze / in de zijkamers van de ziel’ noemt. Dat ‘wezenloze’ is uiteindelijk alleen op negatieve wijze te verwoorden en kan hooguit leiden tot ‘heilig zwijgen’.

Dat ‘zwijgen’ tracht de dichter nabij te komen in concieze, diep ingeslepen poëzie, vol haarscherpe metaforen (als ‘inktpatronen van het noodlot’) en incanterende herhalingen. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Shakuhachi’, dat ‘nergens’ omarmt als eindbestemming: ’Zo hoor je nergens / het suizen’ […] // ‘Zo hoor je nergens / de klanken’ […] // ‘Zo voel je nergens de stilte’. Wie VdB’s essay ‘De innerlijke dialoog met de dood’ leest, begrijpt dat ook Paul Klee, over wie Walter Benjamin en Stefan Hertmans indringend schreven, een belangrijke inspiratiebron is geweest. En dat hopelijk ook mag blijven.