In haar tweede dichtbundel, De stolling, zoekt Emilie Dewitte (1991) de randen van de samenleving op. Heldere, maatschappijkritische verzen – met een nadruk op (sociale) rechtvaardigheid – leggen pijnpunten bloot die de geprivilegieerde mens soms liever niet zou zien, laat staan voelen.
Decors die de dichter hiervoor inzet, zijn iconisch: een bouwwerf voor luxevastgoed in Oman, een gevangenis, de Middellandse Zee en de Opaalkust. Deze plaatsen krijgen een andere invulling afhankelijk van de identiteit van de persoon die zich daar bevindt. Zo hebben de laatste twee plekken een heel andere betekenis voor dagjestoeristen dan voor vluchtelingen. De dichter maakt dankbaar gebruik van deze idyllische settings om ze te laten contrasteren met een hedendaagse realiteit. Dit is geëngageerde poëzie, dat is duidelijk.

Een ander doeltreffend instrument dat Dewitte hiervoor vaak hanteert, is de ‘je’-vorm. Mooie voorbeelden hiervan zijn de gedichten ‘Jordy’ en ‘De grafdelver’. Uit dit laatste komt het beklijvend onheilspellende: ‘Het gaat erom jezelf te beheersen // wanneer je een groep taxeert, beheert / als een kudde, de dieren markeert, / de gezonde verwondt / de gewonden afmaakt’. Met deze eenvoudige techniek, waarbij de lezer het gevoel krijgt aangesproken te worden, trekt de dichter die het gedicht binnen en wijst ze aan wat misgaat in deze maatschappij. Door juweeltjes te verstoppen in haar zinnen, bewijst Dewitte dat activistische poëzie geen schreeuwerig pamflet hoeft te zijn. Zo treffen we in het gedicht ‘012’ de volgende minimalistisch aandoende regels aan: ‘Trainingsbroek de kleur van pleister, een stem / die ook tocht kan zijn onder een deur, zijn pas de vluchtige soort.’
Mensen die voor velen onzichtbaar zijn krijgen in Dewittes poëzie niet alleen bestaansrecht, een stem, maar ook een gezicht, een tastbaar lichaam. Op deze manier richt ze de focus van de lezer in het slotgedicht ‘Livestream’ op: ‘De zoon met het vlies over zijn oog, / de moeder die niemand mocht begraven, / het meisje van gruis onder zes verdiepingen hoog.’
Bovendien bevat het laatste vers van dit gedicht een onverholen statement. Het geschreven woord zal het onrecht benoemen: ‘[…] de geur van inkt / zal blijven dreigen’.
Dewitte gebruikt twee klassieke metaforen die regelmatig terugkeren. De meest opvallende van beide is het beeld van water/zee, een element dat tegelijkertijd met de toekomst van de mens onder druk staat. Meer nog: de toekomstperspectieven van mens en zee zijn op meer dan één manier onlosmakelijk met elkaar vervlochten. De tweede klassieke metafoor, wat subtieler in de bundel verwerkt, is deze van honger (en daarmee gepaard gaand: voedsel), iets wat we associëren met onrechtvaardigheid.
Poëzie is voor deze dichter een logische stap naar gerechtigheid, Sommigen stellen zich de vraag of de letteren hiervoor een bruikbaar vehikel zijn. Ik zou daarop antwoorden dat de literatuurgeschiedenis heeft aangetoond dat boeken verandering hebben teweeggebracht en vorm hebben gegeven aan de maatschappij. De stolling poogt meer dan een steentje bij te dragen.