Jacob Groot (1947) creëert met Adoratie een kruising tussen orakeltaal, grimoire en apocrief Bijbelboek. Deze lijvige bundel is opgebouwd uit vijf gedichtencycli. Ze doen op het eerste gezicht hermetisch aan, maar reiken tegelijkertijd een weelde van associatieve beelden en taal aan, die de lezer meedogenloos meesleurt.

Groot breekt een klassieke regel in de poëzie door uiterst korte, elliptische zinnen en breed uitwaaierende, prozaïsche zinnen na elkaar te plaatsen. Toch komt dit niet over als een gebrek aan evenwicht of als een stijlbreuk. Integendeel, dit simultane stokken en vloeien heeft een dramatisch effect – al vraagt het wel een inspanning van de lezer.
Hetzelfde geldt voor Groots woordkeuze. Een intelligente manier van schrijven kan inhouden dat de auteur bewust een bepaald jargon of specifieke woordvelden inzet, die associaties en een daaraan gekoppelde sfeer oproepen. Groot is daar heel bedreven in: hij gebruikt bijvoorbeeld religieuze en natuursymboliek om een mythisch en sacraal karakter aan zijn teksten te verlenen. Al in het openingsgedicht ‘dit extraordinaire zweven’ treffen we een ‘gonzende engel’, ‘schrijn’, ‘geschenk van de god’ en ‘hemel’ aan. De dichter countert deze klassieke, verheven woordencluster met een moderne en seculiere aanpak door in hetzelfde gedicht hedendaags en technisch aanvoelende woorden (‘coördinaten’, ‘metro’, ‘trein’, ‘machine’) te verwerken. Een gevolg hiervan is dat de gekozen beelden en taal vaak ambigu zijn en verschillende interpretaties toelaten, wat opnieuw een meerwaarde betekent.
Om het oog en het brein wat rust te gunnen, en een gevoel van overdaad te vermijden, maakt Groot optimaal gebruik van witregels op een brede bladspiegel. Deze dichter laat zijn lezer werken, maar de inzet loont de moeite. En er zijn handvaten. Groot zorgt namelijk voor een rode draad – niet alleen in deze bundel, ook in zijn oeuvre – door motieven te recycleren, waaronder natuur (bomen, wind, zee), religie (lam, imitatio christi, mother superior), krijgstaal (kogels, pantser, front) en lijfelijkheid (vrucht, vlees, bloed). Deze lichamelijkheid komt tot uiting in welluidende en ritmische verzen, zoals dit fragment uit de cyclus ‘zo wil ik ook zijn’:
Handtastelijk geen teken. Inspectie met de tong. Gelikt naast de
berm de klinkers. Blank zand
tussen de vingeren gezeefd. Geen zilver. Geen
goud. Geen schaamhaartjes. Geschoren. Verdampt
Adoratie is een bundel waarin de lezer met plezier kan (ver)dwalen. Dankzij de verschillende betekenislagen kan die verschillende zijpaden kiezen. Bij elke lezing valt een andere invalshoek op, haakt de geest zich aan andere bijzonderheden vast, of worden vragen opgeroepen waarop het antwoord in een onheilspellende witregel uitblijft. Groot combineert verschillende werelden met elkaar en laat hen zelfs botsen, waardoor een esthetisch aantrekkelijke contaminatie optreedt. Het is een verademing dat hij zich niet in een keurslijf van voorschriften en normen laat duwen. Adoratie is een werk met jaloersmakend mooie verzen dat in een diepgravend onderzoek verdient uitgespit te worden. In 2012 ontving Groot de A. Roland Holstprijs. Ik hoop dat hij met deze bundel een nieuwe prijs in de wacht sleept.