Dit artikel is gratis.

En onze gedichten blijven oproer is de neerslag van twee jaar Lisette Lombé (1978) als Dichter*es van België, een project dat de ‘uitwisselingen tussen de drie taalgemeenschappen van ons land’ wil bevorderen. In 2024 en 2025 schreef ze twaalf gedichten over ‘thema’s die ons land aanbelangen’. Echt sterk is de bundel niet geworden.  

Toen Lombé begin 2024 dichter*es van België werd, publiceerde PoëzieCentrum al de bundel Laaien, laaien, laaien in vertaling. Daarin leerde een Nederlandstalig publiek haar kennen als een brugfiguur. Een ‘passeuse de feu, semeuse de graines, / voix des sans-voix’ zoals ze zichzelf in een gedicht noemt. Ze geeft stem aan mensen aan de zelfkant van de maatschappij: mensen in armoede, achterblijvers bij een zelfdoding, slachtoffers van racisme en huiselijk geweld… Lombé maakt haar thema’s invoelbaar in gedichten die het slammilieu reflecteren waar ze poëtisch in opgroeide, met het nodige klankenspel en in een strak, onontkoombaar ritme. Ze leek een gepaste dichter om de Belgen anders naar hun land te laten kijken.  

En onze gedichten blijven oproer heeft me daarom teleurgesteld. Er zitten zeker sterke beelden in de bundel, maar in elk gedicht valt nog ballast aan te wijzen. De ene keer is de herhalende incantatie simpelweg niet boeiend genoeg, zeker als die herhaling in hoofdletters geschreven wordt, zoals het ‘IK DANS’ in het vierde gedicht. Dan is de verrassing van de herhaling weg nog voor je begint te lezen.
Een andere keer vroeg ik me bij een gedicht af wat het ‘landsbelang’ is. In gedicht vijf bijvoorbeeld viert Lombé dat ze tien jaar op dichterspodia staat met een ode aan de arm die haar het podium op sleept en haar aanmoedigt om grenzen te verleggen: ‘Je mag je tatoeages gerust laten lezen. / Je blote, weerloze huid hoeft niets te vrezen. / Je schoonheid zij geprezen.’ Het rijm is hier en elders te vaak voorspelbaar en gemakzuchtig en ook het ritme is bijlange niet zo strak als in Laaien, laaien, laaien. Dat ligt voor alle duidelijkheid niet aan de vertaling van Katelijne De Vuyst, die ik hier zelfs overtuigender vind dan in de eerdere bundel.
Ook als het gedicht over een nationaal gebeuren gaat, zoals de dood van Fabian, de elfjarige jongen die in Brussel aangereden werd tijdens een politieachtervolging, krijg ik geen nieuw inzicht. Het gedicht drukt vooral haar woede tegenover de politie uit, met zinnen als ‘Ik eet de uniformen die ambtenaren veranderen in cowboys’, maar de lange inleiding doet haar dieperliggende boodschap verwateren, als die er al is.
Tot slot bevordert de rommelige vormgeving evenmin het leesplezier.  

In haar nawoord vertelt Lombé over de racistische commentaren die ze bij haar aanstelling gekregen heeft. En ze schrijft: ‘Ik heb aanvaard dat vertaalde teksten makkelijker reizen dan een gekleurd lichaam.’ Toch gaf de ‘Schenkster van vuur, zaaister van graantjes, / stem van de stemlozen’ me het gevoel dat ze in haar functie verloren was gelopen. Een feedbackronde had haar gedichten sterker kunnen maken en de bundel als geheel had meer een neerslag mogen zijn van hoe ze haar gedichten in de wereld gebracht heeft. Ze had niet alleen moeten zeggen dat ze ‘op de oever [wil] blijven staan waar verbinding, uitwisseling, zorg en moed heersen’ maar ook hoe ze daar staat.