Dit artikel is gratis.

Natuurgedichten zijn weer helemaal hip in de kinderpoëzie. Na Suzanne Weterings Een krekel in mijn slaapzak (2021) en Zomersneeuw (2024) is er nu Parapluutjes van geluk van Annemarie van den Brink. Door de speelse taal en het oog voor detail sluit haar poëzie ook aan bij die van Rian Visser en Milja Praagman.

Parapluutjes van geluk : de titel typeert meteen de lichtvoetige, vaak dromerige kijk op de dingen, waardoor je als lezer die dingen net even anders ziet of er een fijn gevoel bij krijgt. Het openingsvers illustreert Van den Brinks poëtica meteen:

Spring  

Spring als de kikkers
Groei als het gras
Wortel als bomen
Plons in een plas  

Blauw al je luchten
Fladder en fluit
Broed op je dromen
Wie weet komen ze uit.  

Het is een uitnodiging om een te worden met de natuur, die in te kleuren, te genieten en te dromen. Zelf kleurt Van den Brink haar poëtische taal met alliteraties, klinkerrijmen, neologismen en bijzondere combinaties. De meeste verzen in de bundel zijn opvallend klankrijk en ritmisch, al kan de dichter op dit vlak nog groeien. In ‘Spring’ bijvoorbeeld breekt de slotregel nodeloos het huppelende ritme. En in ‘Voorbij’ ruikt ‘deden’ naar rijmdwang in combinatie met ‘reden’: ‘Je duwde me door de duinen / als we over schelpenpaden reden / We lachten bij een potje pingpong. / Dat we elke avond deden.’ Haar ‘Schrijvertje’ doet meteen denken aan Gezelles ‘Het schrijverke’, maar moet er duidelijk voor onderdoen wat ritme en klankrijkdom betreft.

De gedichten zijn ondergebracht in vier afdelingen volgens de seizoenen. De lente betekent kriebels, ooievaars die nesten bouwen, lammetjes en biggetjes en pluisjes of ‘parapluutjes van geluk’. De zomer is de tijd van reizen, van meeuwen, zeeën van zonnebloemen en een schitterende sterrenhemel. De herfst brengt wind met zich mee, spinnenwebben, vallende bladeren en regendagen. En de winter wordt gekenmerkt door kou met sneeuw en hagel maar ook warme gezelligheid binnenshuis.

In haar sterkste gedichten weet Van den Brink je kijk op de natuur een draai te geven door verfrissende beelden, originele combinaties en neologismen als ‘slierten wirwarwier’, zomerse ‘dobberdagen’ of ‘het flonkerdonker’. Luister naar de tweede strofe van het ‘zonne-sonnet’, een ode van het ‘zonnebloemenkoor’ aan de zon:  

Zie haar zwaaien met haar stralen
en we draaien met haar mee,
zingend in een bloemenzee
van licht en zonnige verhalen.  

‘Wacht’ is een mooie ode aan de verbeelding, waarbij je naar de allerhoogste toren van een eeuwenoud kasteel klimt en daar gaat ‘Turen over verre, witte velden / En geen vijand op ons af zien komen maar / Ruimte, licht, uitzicht.’ Het volgende beeld van een merel in de sneeuw uit ‘Dons’ prent zich meteen op je netvlies, een beeld dat nog versterkt wordt door de sfeervolle illustratie van Marieke van Leeuwen  

Meneer Merel maakt een winterwandeling
hij weet geen woord voor de kou die zijn veren aait
de sneeuw is zacht als dons.  

En na het luisteren naar ‘Ritme’ zal het geluid van de hagel nooit meer hetzelfde zijn:  

De hagel danst flamenco
tikt met hakjes
hard-hard zacht
We klappen en we stampen
op het ritme van de nacht.