Sandrine Verstraete (1986) onderzoekt in het indrukwekkende kamers (het gebrek aan) nieuwe identiteiten en vormen. In een pregnante taal verbeeldt de dichter de relatie tussen wat is, was en wordt. Ondertussen ligt de taal zelf evenzeer onder de loep. Zij is bouwmateriaal en sloopkogel ineen en niets (of niemand) kan om haar heen.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: