Het is moeilijk te omschrijven waar de bekoring van de poëzie van Tove Ditlevsen (1917-1976) van uitgaat. Is het de vrij achteloze, aardse stijl? Zijn het haar scherpe observaties, haar messcherpe typeringen van mensen, met hun ondeugden, hun feilbaarheid – haar éígen feilbaarheid. Spreekt het provocerende, confronterende karakter van veel van haar gedichten mij aan?

Hoe dit ook zij, Ditlevsen dicht zonder taboes, bij vlagen radicaal. Zij neemt geen blad voor de mond, ook en vooral waar het om haar eigen leven gaat. Voortdurend zijn er in haar gedichten wonderlijke anekdotes en terloopse inzichten ingebed, soms gruwelijke of groteske waarheden, en tal van saillante details. Ditlevsen dicht over het onbehagen in de samenleving, het zich bevinden aan de zijkant, ‘de andere kant’. Over de ontnuchtering. Maar óók over de bittere vreugde, het tóch opwindende besef dat de wetenschap of rede niet kan zegevieren over de irrationaliteit, de waanzin. Dat de rede het onderspit delft. Dat de rede geen redding brengt.
Er zijn vele reacties denkbaar op dit besef, of op die redeloosheid, of op het onbehagen in de wereld. Er is een heel spectrum aan reacties denkbaar. Men kan zich er vrolijk over maken, men kan zich (geheel of gedeeltelijk) overgeven aan het redeloze, of juist aan een – schijnbaar – redelijke orde, men kan er het beste van maken, men kan zelfdestructief of zwaarmoedig worden, men kan zich verdoven, of men kan (in het uiterste geval) zelfmoord plegen. Ditlevsen heeft zich op alle punten van dit spectrum bevonden. In 1976 pleegde zij zelfmoord.
Een hele maand
deelde ik een kamer met Kirsten,
ze moest elke avond haar kussen
vijfmaal honderdtwintig keer
stompen
zodat haar moeder
niet zou sterven.
Ze opereerden haar aan haar hersenen,
en toen ze uit de narcose
ontwaakte
begon ze meteen weer
haar kussen te stompen.
Daar verkneukelden we ons over
alsof we al die voortreffelijke
reddingswerkers een loer hadden
gedraaid.
Deze passage vind ik in zoveel opzichten mooi en rauw en raak: het onmachtige maar aandoenlijke dwangmatige bezweringsritueel van haar kamergenoot, op ‘de gesloten afdeling’. Dat natuurlijk irrationeel is, in laatste instantie zinloos (overigens net als elke andere handeling, in het aangezicht van de dood). Maar ook de interventie van de rede of wetenschap is totaal zinloos; zij brengt geen redding of herstel, zelfs niet kortstondig. En derhalve wint toch de redeloosheid – zij verslaat niet de sterfelijkheid, maar wél de rede. Een Pyrrusoverwinning weliswaar, maar een overwinning, een bittere triomf, waar in ieder geval het lyrisch ik om moet gniffelen; als een soort samenzwering tegen de maatschappelijke orde (of, misschien beter gezegd: een alternatieve maatschappij). De gekken houden de ‘redelijken’ voor de gek; wie het laatst lacht, lacht het best.
Hoe scherp zet Ditlevsen hier zichzelf neer, in korte, genadeloze regels, in contrast met een ander: ‘De winkeljuffrouw is bruinverbrand / en heeft röntgenogen. / Gezondheid jeugd verliefdheid / acht uur slaap. / Je verschrompelt / achter je voormalige gezicht / je koortslip / je veel te frequente / menstruatie.’
En wat te denken van de toon in de volgende strofen? Het onbeholpen-aangrijpende, het onmachtige inzicht (rijkelijk laat ook nog eens!), het saillante detail, het terloopse, maar toch ook laconiek-liefdevolle: ‘Er staat ons allen / iets te wachten / zei mijn moeder / verlies en verlaat / inzicht kwam. / Ze stierf in / een bejaardenhuis / en herkende niemand / meer. // Mensen begrijpen / elkaar aan de lopende / band verkeerd. / Ze had / mooie handen. / Onopgemerkt / vervloog het leven.’