Dankzij de slamdichters zijn we weer vertrouwd geraakt met de orale poëzie. Maar in Latijns-Amerika werd die traditie altijd al in ere gehouden. Twee dichters kunnen het in het openbaar tegen elkaar opnemen en uitdagend volkse thema’s bezingen die vaak al decennialang in het collectieve geheugen rondwaren omdat ze met het harde dagelijkse leven verweven zijn.

In het moedig vertaalde, tweetalige De gitaren des doods maken we kennis met een specifiek Braziliaans thema, dat bovendien vertolkt wordt door een poëtische legende, de nationale volksdichter Elomar Figueira Mello (1937). Het gedicht vertelt over Dassanta, een geitenhoedster ‘mooier dan de dood’. Ze werd geboren in de schoot van de Caatinga, een droog steppegebied in het noordoosten van Brazilië, een ‘stokoude aarde die springt van leven, op een grond nooit door nevels geraakt’. In een episch zangduel strijden twee mannen met gitaar en poëzie om haar gunsten. Volgens het achterplat is er sprake van ‘een battle waarin alles uit de kast wordt gehaald, tot hun lot onafwendbaar wordt, “verstrikt in snaren”, verstrengeld in haar haren.’ De twee mannen worden uiteindelijk door de tijd opgeslokt, maar niet Dassanta. Zij ‘had haar reis volbracht, en als vogel met gele vleugels vloog ze haar vrijheid tegemoet. Haar stem weerklinkt nog elke dag, zacht als fluweel, en je zult niet de eerste zijn die denkt het geblaat van geitjes te horen wanneer je naar haar luistert.’ Het dichterlijk ritueel kan te allen tijde hernomen worden: ‘Zangdichters wees op je hoede / wie ik beetpak die zal bloeden / begenadigd of gestoord is / wie mijn rijmzang uit durft dagen / is aan ’t einde van mijn plagen / doodgejaagd of hoogbegaafd.”
Niet alleen het verhaal is bevreemdend maar bovenal de taal die in de traditie van de ‘cantoria e repente’ staat. De dichters bespelen de ‘viola caipira’, een tiensnarige ondiepe gitaar met smalle klankkast, en vertolken in een desafio (‘uitdaging’) ter plekke verhalen en grappen over het dagelijks leven in de Nordeste. Het ongenadig harde leven van de arme boeren biedt niet veel afleiding en dit poëtische bravourestuk is vaak de enige gelegenheid waarbij het ruige werk even onderbroken wordt en in een breder, existentieel en regionaal perspectief wordt gezet. De cantador (‘zangdichter’) Elomar doet zijn verhaal in korte prozastukken die de plot samenvatten en becommentariëren en in poëtische zangen waarin hijzelf en later ook de andere duellist het woord nemen. Elomar is zich bewust van zijn roeping: hij moet het ‘behoud van de geschiedenis’ waarborgen en gestalte geven aan ‘de traditionele samenleving van de Caatinga in ons bewustzijn’.
Dit boek geeft ons niet alleen een inkijk in een specifiek Braziliaans fenomeen. Het is evenzeer de weergave van een linguïstische eigenheid die in de traditie mag staan van onder meer De Lusiaden van de zestiende-eeuwse Portugese dichter Camões. In Brazilië leven een miljoen mensen die zo’n tweehonderd inheemse talen spreken. Dat één van die talen hier erkenning krijgt is niet onbelangrijk. Dat is op het conto te schrijven van vertaler en inleider Mendel Hardeman, een Nederlandse emigrant in het Braziliaanse binnenland die ook cineast en muzikant is. Met volharding heeft hij hier een Nederlandse versie van het verhaal van Dassanta neergezet die alle eer bewijst aan het Nederlands én aan het Braziliaanse origineel. De vormvaste vertaling klinkt nergens artificieel, ook niet als het origineel eigenzinnig is en via complexe dichtregels verloopt. Zo wordt alle eer bewezen aan een inheemse traditie met universele reikwijdte.