Dit artikel is gratis.

Aardvark Tremendum is de tweede bundel van Ferdy Karto, wiens debuutbundel Het Firmament Tussendoor genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs 2022.

De titel lijkt ironisch opgevat. Enerzijds associëren we het tremendum met het ‘mysterium tremendum et fascinosum’ van de religieuze ervaring dat, zoals Rudolf Otto beschreef in zijn boek Das Heilige, tegelijk beangstigend en fascinerend is. Het mysterie wordt in de titel echter vervangen door het wereldse ‘aardvark’, een schuw nachtdier dat zich overdag diep onder de grond verstopt en erg diepe gangen graaft. Het aardvark houdt dus verband met het zoeken naar een diepe oorsprong, of met iets geheimzinnigs dat doet beven (tremendum): het schokkende ligt in deze bundel niet zozeer in de ervaring van het bovennatuurlijk goddelijke, maar in de indringende ervaring van iets concreets, iets ‘aards’.

Een treffend voorbeeld hiervan is het gedicht ‘Domicile (voor S)':

ik zou je meer willen
zeggen dan de woorden die ervoor staan
bergkristallen tussen medeklinkers delven
saffraan onder de klanken opwellen
of eigenlijk
zou ik veel minder
minder nog dan lege handen
minder dan de tijd waar jij uren uit
de haakjes tilt en ze spoorloos zingt
er rozetten postvatten in de tunnels van je stem
en er niets meer te zeggen valt

Dit gedicht kunnen we wellicht als een klassiek liefdesgedicht lezen waarbij de dichter de niet ongewone ervaring beschrijft zijn gevoel niet in de juiste woorden te kunnen vatten. De woorden ‘staan ervoor’ is mooi gevonden door de dubbele betekenis van zowel iets representeren als letterlijk ‘ervoor staan’, dus de doorgang blokkeren. Dan begint de dichter, men zou kunnen denken ‘zoals een aardvarken’, te ‘delven’ naar iets kostbaars, ‘bergkristallen’ of ‘saffraan’, maar ook die volstaan niet. Dan maar liever ‘minder’, de tijd wordt in aanwezigheid van de geliefde ‘ontwricht’. De stem van de geliefde vertoont ‘tunnels’ die door ‘rozetten’ als het ware ook weer geblokkeerd worden (‘postvatten’) en het gezang van de geliefde verdwijnt ‘spoorloos’.
Kortom: indien ‘er niets meer te zeggen valt’, laat dit gedicht toch weer een onuitwisbaar spoor na en verzet het zich tegen het vergankelijke: het ‘spoorloze’ van de stem wordt verankerd, gered in het geschrift, in de poëzie. Dit is uiteraard geen nieuw thema, maar Karto slaagt erin het in een beklijvend gedicht vorm te geven.

De hele bundel bestaat uit sterke gedichten met een heel eigenzinnige woordkeuze die de lezer intellectueel uitdagen. Tegelijk ziet de dichter zich niet als iemand die als een almachtige aan de touwtjes trekt van de tekst, integendeel:

Hand haaf

de dichter leest bloemen
vertolkt zichzelf tussen
gestoffeerde stoelen en
een gelegenheidsbar
rept over gravende lepels
die in tailles tasten

(...)

de dichter weet zich eenzaam
zijn stem ziet ogen afdwalen
naar een argeloze passant
maar zijn zinnen:

in de dampkring willen ze

Dit gedicht lijkt de herinnering op te roepen aan het voorlezen van gedichten op een event, waar de dichter een ‘bloemlezing’ brengt uit zijn werk, maar er is een ‘gelegenheidsbar’, er zijn hapjes (‘gravende lepels’) en de ‘ogen’ van de toeschouwers dwalen af. Zo vluchten de woorden van de dichter in de ‘dampkring’ waar ze ook weer dreigen ‘spoorloos’ te verdwijnen, te ‘zingen’. Toch niet: de bundel is gedrukt en te verkrijgen in de boekhandel, maar het schuwe dier dat gedichten schrijft moet verder leven met het tremendum, de mogelijkheid dat alles verdwijnt en we niet alles kunnen zeggen, wetend dat er zonder iets te zeggen ook niets is.