Hoezeer we tegenwoordig ook blindvaren op navigatiesystemen om ergens te komen, voor het afscheid van onze dierbaren bestaat geen enkele routeplanner: ‘Het maakt niet uit waar je zat, je bent er geweest, ergens, daar, dicht bij me en tegelijk zo ver weg. / Misschien zegt het alleen maar iets over mijn eigen omtrekkende bewegingen en die van mijn hart.’

Alja Spaan (1957) heeft haar nieuwe bundel Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld opgedragen aan haar moeder en het is wonderlijk hoe juist deze heel persoonlijke, grillige weg een buitenstaander zó kan raken.
Spaan publiceert sinds 2006 iedere ochtend een gedicht op haar website. Dat de titel ervan steeds uit het log van de vorige dag komt en al van tevoren is geplaatst, is symbolisch voor het leven zelf: je begint een dag immers nooit blanco. Je neemt jezelf mee en soms openbaren zich stukjes van jezelf die je misschien helemaal niet tegen wilt komen. Toch kun je ermee doen wat je wilt, een soort vrijheid in beslotenheid. De gedichten uit deze bundel komen van haar weblog en gaan terug in de tijd, van dood naar leven.
De weg die Spaan beschrijft, bevat zoveel mooie regels, gedachten en beelden dat je deze wilt bewaren als steentjes, beestjes of bloemen in de berm, zoals ze zich in alle kwetsbaarheid voordoen:
Mijn mamma ligt zoals mijn pappa toen, een beetje op
de zij gerold en dan heel smal en klein, de ogen dicht,
blauwe vlekken in haar hals.
Aan haar bloesje kan ik zien dat ze ademt maar het zou
ook het dood gevlogen vogeltje kunnen zijn dat op een
bedje van mos
ligt te wachten op haar begrafenis, ook een beetje van
opzij en dan verfomfaaid, haar haar plat als veren die
door de wind
teveel snelheid kregen en dan een geblokte gele deken
tot over dat bloesje en dat ademhalen en dan een meneer
in de lift die zijn zoon
toespreekt en de zoon die ja pa zegt en beterschap
belooft en […]
Juist de details en ook de terloopsheid van de context waarin de details gegeven worden, raken dieper dan willekeurig welke algemene wijsheid over verlies of afscheid dan ook. Je ziet haar liggen, bijna tastbaar.
Ragfijn beschrijft Spaan hoe zelfs een intieme relatie tussen moeder en dochter aftasten blijft, twee verschillende karakters, zo nauw verbonden. Op de flap staat dat haar moeder juist in de laatste verwarde jaren dichterbij kwam dan ooit. Dat is ook wat je leest in de wonderlijke dialogen: ‘ze kan / niet naar huis en ze verliest // deze omgeving en waar woon jij, vraagt ze, / woon jij nog ergens?’ Terwijl de moeder alle grip verliest op haar omgeving en dierbaren, kan ze ineens zo direct een vraag stellen die dwars door alle pantsers binnenkomt.
Afscheid nemen is voor een groot deel herinneren en voorzichtig vooruitkijken: ‘Mijn moeder is er bijna, althans zo lijkt het, alsof ze / alleen maar de achterdeur open hoeft te doen, drie / sloten moet verschuiven en de melkbus opzij’. De regel loopt verder in een grillige weg naar een paradijs dat zo binnen handbereik ligt en tegelijkertijd onbereikbaar is. Er is maar één manier om daar voor even rond te wandelen, en dat is: deze bundel lezen, stapje voor stapje.