In de Nederlandstalige poëzie heeft Lies van Gasse (1983) inmiddels een heel eigen stem ontwikkeld. Als een zachte, warme golfstroom. Daar zou veel meer naar geluisterd moeten worden. In haar nieuwste bundel Mannen zonder hoofd is deze stem meer fluïde dan ooit, maar ook meer uitgesproken dan ooit.

Mannen zonder hoofd, er zijn er nogal veel van. En echt aangenaam gezelschap zijn ze niet. ‘Mannen zonder hoofd scheuren / van de bomen de toppen, / splijten onder zee de aarde.’ Ze besturen alles: een politieauto, een kopieermachine, een hand die schrijven wil. ‘Mannen zonder hoofd regisseren onze levens, / onze wensen, onze lichamen, de sporen waarin wij lopen / en die wij onherroepelijk weer afscheiden.’ De wereld, het leven, ons leven wordt bepaald door mannen. Het ontbrekende hoofd duidt op een gebrek aan aandacht, empathie, gevoel, ruimte. Het gevolg is dat de bundel vaak somber klinkt. ‘Veel van mijn verzen gaan over vermoeidheid / zoals veel van mijn gedachten gaan / over wat mij van het slapen houdt.’ De dagdagelijkse sleur klinkt nogal eens door, er is weinig plek voor anders denken, anders zijn. Alles lijkt verkokerd. Hebben daarom veel afdelingen iets met een koker in de titel? Hoewel daar ook weer mee gespeeld wordt. Want spelen is het antwoord, of de uitweg. ‘Het wonderlijke van taal is / dat ze de dingen naast elkaar toelaat’ De kunst biedt deze oase, zoals vroeger op de schildercursus bij meester Ward, die vond dat vrouwen beter waren in het leiden van de kudde. Maar die dromen lijken voorbij, verbleekt, en dan pakt Van Gasse eens goed uit:
want wij die, niet gezien als leiders, te verknoopt
met onze gevoelens, te weinig monomaan, verbeeldingsarm,
dat autorijden, niet echt hands-on, ze kan niet lachen ,
te druk bezet, gestructureerd? ze zag er beter uit toen ze nog en ja,
voor elke adviesraad wel een huiswerkblad, niet visionair, niet
directief, wat afgeleid wel…
En dat gaat nog even stevig door. Alle masculiene vooroordelen passeren de revue. Vrouwen moeten meedraaien in de wereld van de mannen zonder hoofd, ‘verdwalend in de multitask van moederdier en manwijf…’ Liefst alles tegelijk. Maar misschien is dat ‘alles tegelijk’ ook de kracht van vrouwen, dat ze de dingen naast elkaar kunnen toelaten. Het is in elk geval de kracht van de poëzie. ‘Soms lijkt het alsof mijn gedachten zich beter op hun gemak voelen / in deze ongeordende takkenruimte’, schrijft Van Gasse. Is het ongeordend? Het is van een andere orde. De vele zich vertakkende (herhalende, variërende) regels kun je ook muzikaal noemen. Stromend. Het vertakkende staat tegenover het verkokerde. Voor Van Gasse is dit vrouwelijk:
De vrouw in de vrouw wordt een andere vrouw,
haar haar zingt een lied tot een lied
tot een lied tot een lied tot een vrouw.
Sterker nog: ‘De toekomst is vrouwelijk. / Onze wereld is vrouwelijk’ – maar dan wel in een zeer brede zin, want: ‘ze kan zich in elk lichaam bevinden.’ Wat ik al zei: er moet meer naar geluisterd worden.