In fictie kun je vluchten van de werkelijkheid, maar voor wie haar op moedige wijze inzet, baant ze ook het pad terug. Josse Kok (1983) schippert in Schulp tussen veiligheid en vooruitgang, angst en verlangen, fantasie en realiteit.

Josse Kok (1983) is een dichter uit Dordrecht. Hij publiceerde in Het Liegend Konijn, De Optimist en De Revisor. In 2013 verscheen zijn debuut Ik heb geslacht bij Uitgeverij Liverse, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2018 kwam zijn bundel Probeert u het later nog eens uit bij Opwenteling. Schulp is zijn derde bundel.
In Schulp is de taal een toevluchtsoord, zoals blijkt uit ‘Bodemdrift’:
‘s Nachts schrijf ik een epitaaf
waarin ik op adem kan komen
zodat mijn nagelriemen helen
en wat mij teistert wegebt
tussen wortel en worm.
Dat het niet per se een lieflijk oord betreft, moge duidelijk zijn. Schulp is een getormenteerde bundel, waar waanzin op de loer ligt en de ‘ik’ vreest ‘gedoemd’ te zijn. De hardnekkige gewoonte van deze hoofdpersoon om zich terug te trekken functioneert naast zelfbescherming ook als zelfsabotage, het verdiept zijn eenzaamheid. De ‘ik’, die vooral in fictie lijkt te leven, koestert zowel een angst voor als een verlangen naar de werkelijkheid. Die dualiteit wordt pijnlijk goed verbeeld. Zo zijn het wereldbeeld en de toon in de bundel bitter en wrang, maar geregeld bevatten de gedichten alsnog iets nadrukkelijk teders, zoals in ‘Vortex’: ‘De dingen zijn donkere dieren, walsend / in een open veld, als de vorst nog aan je / wimpers kleeft, de zwakke haartjes telt.’ Hoe expliciet de dichter die sensitiviteit ook ontkent: ‘Liever had ik liefdesgedichten / geschreven,’ stelt hij in ‘Oermoet’, ‘maar in het holst / van mijn tederheid gromt het.’
Tegenstrijdigheden in stijl sluiten in zekere zin mooi aan bij de thematische gespletenheid, maar maken de lezing ook onrustig. Kok weet gedichten enerzijds prikkelend, geestig en speels te openen, bijvoorbeeld in ‘Doemprofeet’ (‘Voor wat ik heb is geen spectrum.’), en ‘Galgje’ (‘Het begraven van bureaucraten is een vruchtbare hobby.’), of in het verrassend ontroerende, naar Aristoteles verwijzende gedicht ‘Horror Vacui’:
Het is belangrijk om in jezelf
een lege ruimte te bewaren,
vertel ik de opgezette marter
van het kringloopcentrum.
Tegelijkertijd kan Koks speelsheid soms ook geforceerd aanvoelen, waardoor de lezing stokt. In mijn geval gebeurde dat meteen door een te opzichtige woordgrap in het openingsgedicht: ‘Een klavertjevier zegt niets / over het hebben van geluk, maar je glimlach / als je het plukt is geen plantaardige reactie.’
Eenzelfde inconsistentie geldt voor het ritme en klankspel. Hoewel sommige regels klinken als een klok en de boodschap vloeiend overbrengen (bijvoorbeeld ‘Ik lig op de geasfalteerde buik / van een wellustig universum.’), schiet de dichter weleens door in zijn (klank)rijm. Dat slaat de betekenis dood, zoals in ‘Residu':
[...] Dat ik niet langer mis
wie mij verliet, dat je gezicht mij voortdurend ontschiet,
dat ik niet snap wat mij omklemt omdat jij dat niet meer
bent. [...]
Vliegt Schulp uit de bocht? Ja, maar als je bij de ‘ik’ blijft tot het bitterzoete eind, wordt dat wel deel van de charme. Uiteindelijk blijkt taal namelijk meer te zijn dan een huisje om in te schuilen: ze durft iets. Ze kan een interne demon helpen uitbannen (‘lazer eens op met je sinistere gelispel’), een innerlijk, ontvankelijk kind terugvinden, de ruimte vrijmaken voor een eerste stap terug in de wereld. Hoe eenzaam en stil ze ook lijkt: ‘er is overal geluid, je moet wel luisteren. / Durf te luisteren en je hoort de ganzen / die moedig naar het zuiden vliegen.’