Dit artikel is gratis.

Weinig mensen begrijpen zo goed waar het om draait in kinderspel als Simon van der Geest (1978), zo bleek al meermaals uit zijn oeuvre. Met Plassen op schrikdraad, zijn eerste dichtbundel, zetten hij en illustrator Karst-Janneke Rogaar (1975) dat spel vol bravoure in de kijker.

Van der Geest is romanschrijver, theatermaker én dichter, en dat laat zich in de gedichten in Plassen op schrikdraad goed voelen. Elk gedicht roept in een sprankelende verteltoon een hele wereld op, één die net om de hoek ligt en toch ver weg is, het ultieme speelterrein. Net als in zijn verhaal Dissus brengt Van der Geest die speelse jongetjesbravoure zo overtuigend in beeld dat je als lezer een van hen wordt. Het is één ding om geloofwaardige personages neer te zetten in proza, maar door dat ook te doen in poëzie zet Van der Geest weer nieuwe kanten van zijn al indrukwekkende (en meermaals bekroonde) schrijftalent in de kijker.

Plassen op schrikdraad is dan ook meer dan een pleidooi voor ravotten en speels avontuur. Het gaat over het durven en (net) niet durven, over moed putten uit dromen en verlangens, over een plek opeisen voor jezelf. Zo zegt een (kennelijk moeilijk lezend) kind in ‘Horizin’: ‘Deze kan ik prima lezen: / Bos-kerk-bos-molen-mast-bos / dat flap ik er in één keer uit / zonder haperen, zonder fout’, wat zoveel betekent als ‘De rand van het Beukenwoud / waar ik drie hutten heb gebouwd’, om zich tot slot tot de juf te richten: ‘zal je es zien / dat ik vloeiend weilands kan’. Ook elders zoekt de ik een geschikte taal om zich in uit te drukken, zoals in ‘Splesj’, waarin die indruk wil maken op een meisje en voor ‘watertaal’ opteert.

Vaak ontlokken de gedichten gegrinnik, of ingehouden adem bij alle aan de dag gelegde durf; soms zou je een arm om de ik-figuur heen willen slaan. Tristesse klinkt bijvoorbeeld in de slotregels van ‘Eentje nog’, over de jongen die anders dan zijn vriend nog geen gsm heeft gekregen en het liefst écht zou spelen: ‘Over een jaartje / heb ik er ook een / dan zombie ik met hem mee’. In alle gedichten is rijm nu eens subtiel, dan weer opvallender aanwezig. Bovendien zit de bundel talig boordevol knappe vondsten die nooit te gekunsteld aandoen. Neem bijvoorbeeld de ‘Laatste rit’ waar met ‘roest zacht’ afscheid wordt genomen van een te klein geworden fiets, of het sprekende ‘Mijn vel’: ‘Mijn hele vel / is het verslag / van een woeste zomerdag / Kijk maar eens goed: / Avontuur / is me op het lijf geschreven’.

Ook Rogaar, de illustrator die zich bij elk project blijft hernieuwen en al vaker samenwerkte met Van der Geest, overtreft zichzelf met deze bundel alweer. Rogaar wil nooit ‘mooi’ tekenen, maar wat zij hier neerzet, ademt zo’n pure kracht dat het van een pakkende schoonheid is. De kleurrijke, wat ruwe illustraties in (wat lijkt op) waskrijt vullen de opgeroepen verhaalwerelden verder in, en kunnen zo als schilderijtjes aan de muur.

In het titelgedicht laat iemand zich overtuigen te plassen op schrikdraad. Dat loopt niet al te goed af: ‘Er kwam geen geluid mijn mond uit, / alleen maar een zwart wolkje / dat smaakte naar benzine / Nu noemen ze mij Elektroman / Een naam moet je verdienen’. Ik kan niet inschatten hoeveel moed het van Van der Geest vergt om telkens opnieuw te mikken op precies de goede taal, maar één ding is zeker: zijn naam als kinderboekenschrijver én -dichter is dik verdiend.