Geen kind groeit op zonder rijmpjes of versjes. Bloemlezingen zoals Elk versje is een visje helpen om het plezier in taal, metrum en rijm ook na de baby- en peutertijd vast te houden. Hans en Monique Hagen dragen al jaren op tal van manieren bij aan de promotie van kinderpoëzie.

Zo waren ze kinderboekenambassadeurs in Nederland, schreven ze voor Het Parool columns rond kindergedichten, later gebundeld in Poëzie hardop (2019), en schiepen ze met Jij bent de liefste (2000), met illustraties van Marit Törnqvist, een bestseller die een kwarteeuw na de verschijning aan een 42ste herdruk toe is. Elk versje is een visje past helemaal in dat rijtje.
Duizend bundels namen de samenstellers naar eigen zeggen door, hoofdzakelijk uit het eerste kwart van deze eeuw. Daaruit kozen ze bekende en minder bekende gedichten rond het dagelijkse leven: slapengaan, wasrituelen, familie, het buitenleven, weerfenomenen, ziekte, spel, gevoelens, een bezoek aan de tandarts of de kapper, geboden en verboden, vragen allerhande… De verzen vertrekken dan wel vanuit die herkenbare wereld, ze leiden lezers daar evengoed uit weg, door taalspel, verrassende omkeringen of mooie, terloopse observaties. De titel ontleent het duo Hagen aan een gedicht van Geert De Kockere, dat de bloemlezing opent en precies deze beweging van het gewone naar het bijzondere in beeld brengt: ‘Elk versje is een visje. / Het zwemt zomaar wat rond / in de grote diepe zee. // Tot je het vangt / en weer loslaat in je hoofd. / Dan zwemt het een eindje met je mee.’
Er is niet gekozen voor een thematische opdeling, wel valt de doordachte plaatsing van de gedichten op. Daardoor ontdek je makkelijker nieuwe verzen, en worden lezers ertoe aangezet te zoeken naar wat het ene gedicht met het andere verbindt. Na ‘Een boot door de nacht’ en andere verzen over bedtijd en slapengaan volgt bijvoorbeeld het gedicht ‘Ik was de zee’: die opeenvolging kan worden verklaard vanuit de associatie met de achtergrondkleur blauw, of vanuit de samenhang tussen boot en zee, en het gegeven dat beide zich in een droomwereld (kunnen) afspelen. Verderop in de bundel komt datzelfde donkerblauw terug bij andere nachtgedichten, waarmee de bloemlezing ook eindigt – op het slotgedicht ‘Eind’ van Rian Visser na. Zo is de cirkel rond en zitten er dagen van beleven en verwoorden op.
Bloemlezingen als deze kunnen een opstap vormen naar meer poëzie: ze tonen de enorme rijkdom en vaak tijdloosheid van goede kinderverzen – rijm, metrum, humor en klankspel zijn daarvan bijna steevast de ingrediënten. Tussen bekende kinderdichters als Miep Diekman, Han G. Hoekstra, Annie M.G. Schmidt, Willem Wilmink – een kleine greep slechts! – en hun hedendaagse opvolgers Joke van Leeuwen, Erik van Os, Edward van de Vendel en Bette Westera – opnieuw slechts enkele van de vele namen! – namen Hans en Monique Hagen ook beginnende en onbekendere namen op. Een heerlijke vondst is bijvoorbeeld dit gedicht van Titi Zaadnoordijk: ‘Ik kietel jou / jij giechelt mij / ik kabeljauw / ik rijstebrij // jij dendert mij / jij kriebelkont / ik stekelbaars / ik draai je rond’. Een register op titel, een auteurslijst en een verantwoording met de bronnen laten een gevarieerd gebruik van deze verfrissend samengestelde bundel toe. Ook wie de kleutertaal al lang is ontgroeid, vindt in Elk versje is een visje een rijke vangst taalplezier.