‘Een rijk gevuld banket’, zo wordt deze bundel op de flap genoemd. En zo is het helemaal: in woord en beeld verleiden Bette Westera (1958) en Sylvia Weve (1954) lezers om toe te tasten – en het bord een tweede keer te vullen.

De themakeuze mag op het eerste gezicht weinig poëtisch lijken, ‘eten’ is geenszins weg te denken uit literatuur voor kinderen – van het theekransje in Alice in Wonderland tot ‘Het fluitketeltje’ van Annie M.G. Schmidt en vele, vele andere scènes en gedichten. ‘Er vloog een vliegje in de vla’, het titelgedicht dat op de cover, het titelblad én in het binnenwerk wordt hernomen, heeft alles in huis om net zo’n klassieker te worden die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Het gedicht speelt in klank en betekenis met taal en koppelt zwarte humor aan lichtheid en speelsheid – ‘maar zwemmen valt niet mee in vla. // Het vliegje is verdronken’. Die kenmerken tekenen ook de rest van de bundel – en Westera’s oeuvre.
In vijf delen raken Westera en Weve aan zowat alle aspecten van ‘eten’: ze hebben het over soorten smaken, de voedselketen en religieuze of ethische voedselvoorschriften, vegetarisme, veganisme en dierenrechten, voeding en gezondheid, eetgewoonten en tafelmanieren. In een zesde deel bundelen ze de informatieve achtergrond bij gedichten en lichten ze toe of de verhalen die ze tussendoor vertellen met de waarheid speelden, altijd duidelijk gemarkeerd met de bedenking ‘Of is dit een broodje aap-verhaal?’. Zo benutten ze ten volle de verbeeldingskracht van literatuur en de vrijheid van poëzie zonder feitelijke kennis uit het oog te verliezen.
Ook in de vorm en aard van de gedichten zit veel variatie. Korte en lange gedichten wisselen elkaar af, grappige en ernstigere. Zo worden de basissmaken in precies acht verzen concreet, en zit zoals vaak de humor in de staart: ‘Zuur: citroenen, groene appels, / zuurkool, en bedorven vla.’ Zonder drammerig te worden klaagt Westera tussen alle informatie door ook mistoestanden aan in de voedingsindustrie of in onze omgang met eten, bijvoorbeeld in ‘Hazenhemel’ of ‘Brandbrief ’. ‘Ogen dicht en smullen maar!’ besluit de dichter in ‘Recept voor vermicellisoep met kleine lettertjes’ wat sarcastisch. Twee strofen eerder heeft die de soepingrediënten in een lijstje opgesomd: ‘BHT? Wat mag dat wezen? / Waarom staat dat daar zo klein? / Wat zou lecithine zijn? / Melkzuur? Dodecylgallaten?’ en zo nog even door. Westera slaagt er als geen ander in om dit soort woorden te laten zingen en schijnbaar moeiteloos in te schuiven in het rijmende vers dat ze voor ogen heeft. Zelden wringt het metrum of zit het rijm net niet goed genoeg.
Net als in hun vorige bundels pakt de samenwerking met Weve schitterend uit: prachtige pentekeningen met gevarieerde lijnvoering, speelse kleurvlakken, cartoons… Zelfs wie geen letter leest, heeft een stevige kluif aan dit boek. Is Er vloog een vliegje in de vla dan spek voor ieders bek? Niet noodzakelijk: wie in poëzie vooral verwondering en het net-niet-alledaagse zoekt, blijft misschien (tja, het is al te gemakkelijk uit dit woordveld te putten:) wat op zijn honger. In het gezamenlijke poëzie-oeuvre van Westera en Weve sluit Er vloog een vliegje in de vla eerder aan bij een bundel als Was de aarde vroeger plat? (2017), bekroond met de Gouden Poëziemedaille, dan bij Doodgewoon (2014) of Uit elkaar (2019). Voor lezers die nog volop taalgevoel en -plezier aan het ontwikkelen zijn, of die vooral houden van vlot en grappig overgebrachte weetjes, is dit een boek om duimen en vingers bij af te likken.