Dit artikel is gratis.

Ontheiliging is een constante in Sanctus , de nieuwste bundel van Rob Schouten (1954). De ouder wordende dichter ziet de wereld er niet mooier op worden. Op zijn typerende, onderkoelde wijze beschrijft hij kaalslag en verval. Dat doet hij echter met een grimlach of kwinkslag, zodat alles nog net dragelijk blijft en misschien toch nog een beetje geheiligd.

Zo ziet hij op een homevideo zijn dochter ruim twintig jaar eerder ‘Für Elise’ spelen op de piano. Ze is dan ‘op weg engelachtig te worden’. Het engelachtige werd echter nooit bereikt, want er kwam iets tussen, constateert de dichter. ‘Ze raakte langzaamaan gebruikt / en haar pianospel verwoest, / haar haar ging ook heel anders zitten.’ De laatste toevoeging over het haar laat je heel even glimlachen en dat verzacht (of verdoezelt bijna) het schrijnende van het gebruikt worden en de verwoesting. Volwassen worden gaat blijkbaar gepaard met een pijnlijk verlies in de ogen van de vader. Het gedicht besluit: ‘Nu staat ze voor de klas / en voedt alle Elises op, / leert me onttovering.’ Het terugverwijzen naar het overbekende mierzoete pianostuk maakt er poëzie van, en maakt zo de onttovering enigszins dragelijk. Veel gedichten in Sanctus werken op deze manier: ze maken het contrast van onschuld, verlangen, mysterie en dromen versus de dagelijkse realiteit stevig voelbaar. Maar altijd is er die grimlach. Zo gaat hij met zijn kleinkind naar de dierentuin, waarna voor het jongetje voortaan alle beesten zielig gekooid zijn, stinken en geen leuke rode jasjes meer dragen. De dichter trekt de ontluistering nog even door:  

Nog even en onheilsprofeten
en angsten zullen uit hun hok ontsnappen
en dan de trutten en meteropnemers.

Op zich al grappig genoeg, maar het gedicht besluit uiteindelijk met deze schitterende regel: ‘en niemand heet ooit Dikkertje.’ (Voor wie het niet kent: een verwijzing naar een populair kinderliedje van Annie M.G. Schmidt.)

Overal ziet de dichter ontluistering. Ook in films of in de porno die hij maar blijft kijken, alsook op reis: ‘ik ben erg slecht in ex-Sovjetseks, / in alle seks, dat heb ik bij het inchecken / vergeten aan te kruisen’. En heeft de dichter nog wel zin om te blijven schrijven in deze leegte? ‘Jawel,’ spreekt hij zichzelf toe, hij blijft dichten: ‘frutseltjes kosmos, thuis, / allemaal decoratie, / theocratie.’ Het is slechts decoratie, maar ergens blijft toch ook het geloof in het zinvolle, het schone – kortom: het geheiligde. Daarmee opent de bundel ook:  

Ik ben bereid om het heilig te noemen
mits er iets tegenover staat:
weg met die vreemde overbodigheid
als je bezig bent te verschrompelen
en niet meer mee kunt komen,
maar dat is zeker net te veel gevraagd.

Het is echte Schouten-poëzie: toegankelijk, parlando en wars van al te grote woorden. Maar poëzie krijgt het in de wereld vol ontheiliging steeds lastiger. In een van de laatste gedichten somt hij een reeks favoriete dichters op, maar in zijn slaap worden het ‘kakkende olifanten van taal’. Het lukt de dichter niet meer om naar ze te luisteren: ‘Te veel tv, te zeer even het leven.’ En dan roept hij de toegankelijksten onder zijn dichters aan: ‘Waar blijft je brug, Martinus, Bloem, je straat?’ Ook Nijhoff en Bloem bemiddelden tussen het heilige en de ontluisterende werkelijkheid, echter zonder humor. Schouten kan niet meer zonder dit ingrediënt. Gelukkig niet.