“Poëzie is in staat het verborgene in kaart te brengen, zodat wij toegang krijgen tot een ongezien deel van de werkelijkheid”
De Nederlandstalige poëziewereld was de afgelopen jaren in de ban van een raadselachtig talent: Evi Aarens.
Met haar debuutbundel Disoriëntaties (2021) en het biografische essay Londen hemelt presenteerde zij zich als een unieke stem. Geboren en getogen in Southwark, Londen als dochter van een Engelse moeder en een Haagse vader, belichaamde zij de brug tussen twee talen: “Gezegend als ik ben met een moederland en een vadertaal,” schreef ze in haar biografisch essay.

Haar ambitie was niet gering. Aarens streefde naar vormvaste, verhalende en toegankelijke poëzie. Haar werk getuigde van een sterke belezenheid en een bijna wiskundige beheersing van het ambacht. Als dichtvorm koos ze voor de complexe en zelden in de hedendaagse poëzie gebruikte vorm van de sonnettenkransenkrans. Daarvoor zijn 196 sonnetten nodig; veertien sonnettenkransen van elk veertien sonnetten. Iedere krans levert één meestersonnet, en samen vormen deze veertien meestersonnetten één “grootmeestersonnet” (nieuwe literaire term gemunt door Bas Jongenelen). De 196 sonnetten zorgen dan voor 211 sonnetten in totaal.
Naarmate de lof werd bezongen, groeiden ook de vragen. Bestond deze briljante antropologe, die haar opleiding genoot aan het prestigieuze Monknash College in Wales wel echt? Het werk bevat veel intertekstuele referenties en getuigt van een uitgebreide kennis van de Europese literatuur en cultuur. Het zou bijna onmogelijk zijn dat dit het werk was van een jonge debutante. De lijst met ‘verdachten’ was lang. Velen dachten dat Ilja Leonard Pfeijffer achter Evi schuilging, anderen dachten dan weer aan Jean Pierre Rawie of Kees ’t Hart. Of was het toch Bas Jongenelen of Niels van Wolleghem of Erik Bindervoet misschien? Elke theorie had zijn aanhangers, maar tot een sluitende bewijsvoering kwam het nooit.
Wie het internet afspeurt naar ‘Monknash College’, komt bedrogen uit. Er is geen enkel instituut onder die naam bekend. De eerste barstjes in het zorgvuldig opgebouwde personage werden zichtbaar. In de campusroman Ik ga naar buiten om de tuin te zien (2023) besprak de auteur Clovis E. van Wijk het leven en werk van een studente genaamd Evi Aarens. Hij beschrijft haar avonturen op het college en haar worsteling met de sonnetten. Het boek van Van Wijk bleek echter meer dan het verslag van een literaire vriendschap. Het was een eerste stuk om de puzzel rond de identiteit van Evi Aarens op te lossen. De naam Clovis E. van Wijk vertoont immers verschillende etymologische verwantschappen met de naam van een andere verdachte op de lijst; De naam ‘Clovis’ transformeerde via een aantal taalkundige tussenstappen in de geschiedenis tot ‘Lodewijk’. ‘Van Wijk’ laat zich dan weer makkelijk spiegelen aan ‘Van Oord’ … Is Evi Aarens een heteroniem, een literair masker waarachter Lodewijk van Oord zich verschuilt?

Bas Jongenelen vatte op het platform Neerlandistiek de definitieve speurtocht aan. Via een analyse van de letters in Disoriëntaties (2021) stuitte hij op een spoor van letters: de L van Lieke Marsman? De O? De D? LOD? Het leidde hem onherroepelijk naar Lod… Lode… Lodewijk. Toen de redactie van Poëziekrant de hand kon leggen op het nog ongepubliceerde manuscript van Fausta, de tweede bundel van de persoon achter Evi Aarens, maakte een broeierige koortsachtigheid zich meester van de redactieleden. Ze moesten en zouden de ware identiteit achterhalen. Gezamenlijk doken ze het omvangrijke manuscript in en begonnen als een bezetene te lezen en EUREKA! In het slotakkoord van de bundel, Canto 34, verschijnt een nieuwe dichter die onthult dat hij Evi Aarens heeft bedacht. Evi Aarens zou Evi Aarens niet zijn, mocht ook de onthulling van de ware identiteit geen verwijzing naar de literaire geschiedenis bevatten. Net zoals het middeleeuwse epos Van den Vos Reynaerde eindigt met het acrostichon ‘BI WILLEME’, zo eindigt Fausta met het acrostichon: ‘BIJ LODEWIJK’…
Na hun nachtelijke zoektocht wist de redactie het zeker: Evi Aarens is Lodewijk van Oord. Poëziekrant ging de confrontatie met Van Oord aan. Hij bevestigde onze ontdekking met de kenmerkende nuchterheid van een meestervervalser: “Ik zou mezelf niet zijn, als ik het zou ontkennen”. Ook uitgeverij Querido, geconfronteerd met de ontmaskering, bevestigde dat het werk van zowel Evi Aarens als Clovis E. van Wijk uit de pen van Lodewijk Van Oord is gevloeid.
Lodewijk van Oord (Madrid 1977) is schrijver van romans, poëzie en essays. Onder eigen naam publiceerde hij de romans Albrecht en wij, Alles van waarde en Niemand is van hier. Vorig jaar verscheen Protesteren voor beginners, een essay over verzet en rebellie. Van zijn heteronieme Europapentalogie zijn inmiddels drie werken verschenen: de epische gedichten Disoriëntaties en Fausta van Evi Aarens en de roman Ik ga naar buiten om de tuin te zien van Clovis E. van Wijk.
Met het verdwijnen van de fictieve Evi Aarens verliezen we een uitzonderlijke debutante, maar winnen we een fascinerend inzicht in het vakmanschap van Lodewijk van Oord!
Vanaf vandaag is Fausta ook beschikbaar in de boekhandel. We hebben het voorrecht om met jullie een voorproefje te delen: luister hieronder naar Lodewijk van Oord die voorleest uit Fausta:
In Poëziekrant 2/2026 verschijnt een uitgebreid interview met Lodewijk van Oord over zijn pseudoniem Evi Aarens. Abonneer je vandaag nog op Poëziekrant en blijf op de hoogte van alle poëzienieuws!

-Tessa-Posthuma-de-Boer.jpg)