
Het overlijden van een ouder slaat een pijler onder je bestaan weg, zonder dat je dat in eerste instantie in de gaten hebt. En het is een moeilijk proces om zonder die pijler je bestaan weer voort te zetten, richting te geven. Daarom is de titel van de tweede dichtbundel van Roberta Petzoldt (1984) zo goed gekozen: Zeebeving . De achterflap meldt dat de bundel is geschreven na het verlies van haar vader. De bundel opent met een redelijk traditioneel rouwgedicht’, ‘Boom en berg’: ‘Weet je nog dat ik een boom was en jij een berg?’. Het gedicht verwoordt mooi de betekenis van de vader voor de dochter, via de spelletjes die ze samen spelen:
Weet je nog dat we zusjes waren, vlekken
in elkaars jurken maakten
en ontsnapten naar de wilde
bloemen in het veld
Nu zijn het méér dan spelletjes, blijkt uit het verloop van de bundel. Het is een queeste: naar de geliefde vader, naar een bestaan zonder hem. En die queeste verloopt via dezelfde, in het eerste gedicht beschreven, fantasie. Via beelden, via mythen, via poëzie. De overleden vader komt zelf nauwelijks in de gedichten voor, maar is in elke regel aanwezig.
Het is niet altijd eenvoudig grip te krijgen op de poëzie van Petzoldt: ze schakelt in hoog tempo tussen registers (abstract, concreet, beeldend, betogend) en stemmingen: somber, grimmig, grappend, laconiek. Beelden volgen elkaar in hoog tempo op. De regels lijken op het eerste gezicht toegankelijk, maar zodra je erover gaat nadenken worden ze steeds vreemder. Neem bijvoorbeeld de volgende strofe:
De waarheid is een stift waarmee je een tand van het covermodel zwart maakt. De waarheid is gratis. De waarheid is de ochtend. De waarheid is een geweerschot. De waarheid is de liefste, is de liefste die slaapt, die kwijlt en kijkt met de ogen van een ongeborene naar het wonder van jouw ziel.
Het beeld van de stift is pakkend, en het klinkt ook mooi dat de waarheid de ochtend is, of een geweerschot, maar wat zeggen die vergelijkingen nu precies over de waarheid? De waarheid is een begin? Een gewelddadig einde? Ook het beeld van de slapende geliefde (en vooral die ziende ogen van een ongeborene) is er eentje om lang op te kauwen. Bovenstaande strofe is maar een voorbeeld: de lezer is in vrijwel elk gedicht op zoek naar houvast en precies zo werken de gedichten. Ondanks alle beslistheid (‘de waarheid is…’) drukt Zeebeving vooral reddeloosheid uit.
Vanaf de tweede helft van de bundel, duidelijk gemarkeerd door twee zwarte pagina’s, wordt begonnen aan de oversteek van de Styx: ‘hier geen overgang tussen hemel en water // hier is alleen diepte.’ Niet dat er een lineair verhaal wordt verteld, feitelijk is het een voortzetting van (het verzet tegen) de radeloosheid, al krijgen de gedichten wel meer het karakter van dagboeknotities. Het slotgedicht draagt de naam van het gehucht Ploumanac’h aan de kust van Bretagne. De dichter zit vanaf de rotsen naar de oceaan te kijken, in een besef van vergankelijkheid. Dat klinkt heel afgezaagd, maar lees het gedicht: het is prachtig. Al was het maar vanwege de elegante manier waarop op het allerlaatst wordt terugverwezen naar de berg in het openingsgedicht. Zo wordt toch een soort evenwicht gevonden, via het ernstige spel dat poëzie is.