‘Beauty is truth, truth beauty,—that is all / Ye know on earth, and all ye need to know.’ Die slotregels van Keats’ ‘Ode on a Grecian Urn’ hangen als een onuitgesproken motto boven The Beauty of the Husband (2001), een dichtwerk dat zichzelf bestempelt als ‘een fictie-essay in 29 tango’s’. Anne Carson draagt het boek in de eerste regel aan Keats op, al zegt ze er meteen bij dat ‘a dedication has to be flawed if a book is to remain free’.
Van meet af aan maakt ze ons als lezer achterdochtig: er is dus iets mis met die opdracht, ze valt niet helemaal te vertrouwen. Zo onttrekt de tekst zich al in de eerste regels aan onze controle, aan een sluitende interpretatie. Is de opdracht onoprecht, ironisch? Of is Keats misschien maar een masker waarachter een ander personage schuilgaat, de persoon aan wie dit boek in werkelijkheid (door Carson? door de ik-persoon?) wordt opgedragen?
ANNE CARSON (1950) is een van de belangrijkste dichters van de Verenigde Staten. Ze werd geboren in Canada en is hoogleraar klassieke literatuur. Ze ontving vele prijzen, waaronder de Lannan Literary Award en de T.S. Eliot Prize for Poetry.

Daarmee is de toon gezet. We zijn als lezer medeplichtig geworden aan de onmogelijke puzzel, aan de koortsige zoektocht naar waarheid die volgen zal. Het boek gaat immers over de verhouding van de ik-persoon tot haar onbetrouwbare echtgenoot, een compulsieve leugenaar en seriële bedrieger. Maar eerder dan dat we het verhaal van begin tot einde te horen krijgen, worden we meegelokt in de hartverscheurende, poëtische, grimmig komische en vooral eindeloos geraffineerde pogingen van de vrouw om tot een sluitend narratief te komen, een eindbalans van het huwelijk op te maken.
‘Ik zeg schaamteloos dat ik van hem hield om zijn schoonheid. En weer zou houden als hij in mijn buurt kwam,’ zegt ze op de vraag waarom ze zich niet aan de echtgenoot kon onttrekken. Keats’ overgeciteerde stelling dat schoonheid waarheid is en waarheid schoonheid (een these die overigens in de context van het oorspronkelijke gedicht veel minder als een gouden regel klinkt dan als een tijdelijke verzuchting) is dus meer dan een beetje problematisch: wat als datgene wat schoon is ook bedrieglijk is – misschien juist schoon is vanwege dat bedrieglijke, ongrijpbare karakter? De schoonheid van de echtgenoot is dan ook veel meer dan een liefdesverhaal: het is een zoektocht naar omgangsvormen met het inherent verscheurende aspect van verlangen, dat altijd lijkt uit te gaan naar datgene wat zich aan ons onttrekt.
De tweetalige uitgave in vertaling van Marijke Emeis past in de groeiende aandacht in ons taalgebied voor Carson en haar veelzijdige oeuvre. Dat voor een tweetalige editie werd gekozen is essentieel: Carson is immers niet alleen dichter en essayiste, maar ook vertaalster en professor klassieke talen. Het thema van de onmogelijkheid van de vertaling – de vertaling van teksten, van culturen, maar ook van de onmogelijke vertaalslag tussen twee mensen die met elkaar proberen te communiceren – is een terugkerend aspect van haar poëzie. Het is dan ook meer dan terecht dat we als lezer de kans krijgen om heen en weer te gaan tussen de brontekst en het Nederlands, om de ‘greppel’, de ‘ditch’ tussen twee gebieden te ervaren die een vertaling volgens Carson altijd is.
Is de vertaling van Emeis altijd afdoende? Uiteraard niet, want Carsons poëzie is zo gelaagd en meerduidig dat er onvermijdelijk betekenislagen en klankspelletjes verloren gaan. Carson zou de eerste zijn om hier geen graten in te zien, want zelf speelt ze voortdurend met de wijze waarop misvertalingen en verschrijvingen het leesverlangen en de interpretatie kunnen voortstuwen. Wat een plezier overigens voor de lezer als hij betekenislagen ontwaart die aan de vertaler ontsnapt zijn, en zich kan verkneukelen in de overtuiging dat hij de tekst intiemer kent dan de vertaling, haar officiële wederhelft!
Ook de classica in Carson valt niet van de dichteres te scheiden. Het hele vraagstuk hoe waarheid, goedheid en schoonheid zich verhouden heeft natuurlijk zijn wortels in de antieke filosofie – de drieëenheid wordt wel eens de platoonse triade genoemd, al zijn het enkel navolgers van Plato, niet de antieke filosoof zelf, die op basis van diens dialoog Philebus de vermetele moed hebben gehad om de drie gelijk te stellen. Carson boort echter door tot een diepere, preklassieke laag in het Griekse denken: de wereld van de homerische goden, die even mooi als onbetrouwbaar en wreed zijn. In die mythische wereld die ze op het verhaal van het huwelijk projecteert komen schoonheid en waarheid niet in goedheid samen, maar in een verwoestende epifanie. De echtgenoot wordt vergeleken met de doodsgod Hades die Persephone ontvoert, gelijkgesteld met Bacchus, de god die druiven vermorzelt en roes opwekt (zijn grootvader, een Griekse wijnbouwer, noemt hem ‘tragikos’, een woord waarover Carson droog opmerkt dat het zowel ‘tragisch’ als ‘bok’ betekent). Maar bovenal lijkt de echtgenoot op de goden door zijn vrijheid om taal naar zijn hand te zetten:
Wat verbindt eigenlijk woorden en dingen?
Niet veel, besloot mijn man
en bleef taal gebruiken
als Homeros het van de goden beschrijft.
De goden kennen alle mensenwoorden
maar hebben er behalve de onze
een tegengestelde betekenis voor.
Goden draaien naar believen de schakelaar om.
Daarmee wordt duidelijk hoe hun huwelijk ook een krachtmeting van taal en verbeelding is. De echtgenoot ‘vangt’ haar door de cryptische liefdesbrieven die hij schrijft, maar steelt evengoed hondsbrutaal haar notitieboekjes om haar aanzetten voor zijn eigen brieven naar minnaressen te gebruiken. Tegelijkertijd is de vrouw zelf allerminst het weerloze slachtoffer van zijn taalspelen. Net als Carson is ze schrijfster – dat wordt ons niet alleen verteld, dat is wat elke regel ons toont: virtuoos zien we haar woorden aanwenden om zich teweer te stellen tegen de emotionele macht die de echtgenoot over haar heeft. Geleidelijk aan beginnen we als lezer te begrijpen hoe zij aan haar pijn ontsnapt door haar ervaringen onmiddellijk te vertalen naar een intrinsiek weefsel van literaire associaties, metaforische beelden, adembenemende natuurlyriek, filosofische bespiegelingen. Uiterst subtiel wordt er een parallel getrokken door de wijze waarop de echtgenoot zijn vrouw ontloopt door haar te vervangen door een resem maîtresses, en de wijze waarop de vrouw haar pijn ‘ontloopt’ door die te sublimeren via een palimpsest van verbeeldingen: de echtgenoot is Hades, Hirohito, Keats, Alcibiades, … Het huwelijk is een oorlog, een spel, een tango – die drie semantische velden worden voortdurend vervlochten.
Dat de gedichten in proza tango’s worden genoemd heeft niet alleen te maken met de verleiding waarvan de tango een stilering is, maar ook met het feit dat de mystiek van de tango te maken heeft met een soortgelijke verschuiving: traditioneel wordt de dans gezien als een uitdrukking van passie voor een onbereikbare geliefde, waarvoor de aanwezige danspartner het surrogaat is – de metafoor, zo u wil.
Vandaar ook dat de eerste ‘tango’ van het boek verwijst naar Marchel Duchamps kunstwerk La Mariée mise à nu par ses célibataires, een glazen diptiek die niet alleen gaat over uitgesteld verlangen, maar door Duchamp zelf een ‘uitstel in glas’ werd genoemd. ‘Delay’ (een woord dat door Emeis misschien minder ideaal als ‘vertraging’ wordt vertaald) is vanaf dan een terugkerend sleutelbegrip: kunst, literatuur als een uitstel, een verschuiving die ons afschermt van de te directe confrontatie met de werkelijkheid, en ons in het beste geval toestaat de betekenis van de dingen te transformeren.
Een wond straalt licht uit
zeggen chirurgen.
Als alle lampen in huis waren gedoofd
kon je de wond verbinden
bij het licht dat ze geeft.
Geachte lezer ik zeg dit bij wijze van analogie.
Vertraging.
“Zeg vertraging in plaats van schilderij of schets -
een glasvertraging
zoals in prozagedicht of zilverbeslag.”
Aldus Duchamp
over De bruid ontbloot door haar vrijgezellen
dat onderweg van het Brooklyn Museum naar Connecticut
in acht stukken brak (1912).
Wat wordt vertraagd?
Het huwelijk denk ik.
Dat strijdtoneel zoals mijn man het noemde.
Kijk hoe het woord
oplicht.
De wonde die zelf het licht voorziet dat toestaat haar te behandelen (een mooie leugen, uiteraard) bevat natuurlijk een paradox: zodra ze geneest, gaat het licht uit. Het verlangen dat tot een huwelijk leidt? De pijn die tot poëzie leidt? Carson rijgt de ene analogie aan de andere, bouwt een spiegelpaleis van metaforen. Overigens is ook de analogie zelf een uitstel, zelf een antwoord op een soort wonde in de taal: er is iets dat knelt, dat zich niet laat uitdrukken. Daarrond wordt zoals rond een zandkorrel in een oester een parelmoeren bandage van beeldspraak gelegd, die het probleem doet verdwijnen, maar ook vergroot, cultiveert. Alles begint bij een kwetsuur, een misverstand, een fout. Die wordt nooit rechtgezet, maar doet wel een nieuwe wereld opengaan. Carson lacht er zelf mee: ‘Volgens mij / breng je nu het gesprek weer / op verluchte manuscripten uit de middeleeuwen waarin de kopiist bij / het overschrijven een fout heeft gemaakt / dus trekt de illuminator er een kringetje / om van rozen en vlammen / dat een uitdagend duiveltje van de bladrand probeert te slepen.’
Arme recensent – ik noem geen namen – die in zijn bespreking van De schoonheid van de echtgenoot Carsons literaire spel als een steriel intellectualisme afdoet, en zich erover beklaagt dat hij ‘nergens wordt geraakt door het verdriet van de bedrogen echtgenote’ (zou hij ook zo aandringen op emotie en ook zo afkerig zijn van belezenheid mocht de schrijver een man zijn, vroeg ik me af). Niet alleen ontgaat hem de doorleefdheid die van elke bladzijde spreekt, hij is blijkbaar niet in staat om de zelfspot en tragiek te waarderen waarmee Carson hier haar eigen overlevingsmechanisme te kijk zet: het denken en verbeelden als dubbelleven, als een wat ziekelijke maar wondermooie vorm van vreemdgaan in de werkelijkheid.
Net als Eros, bitterzoet gaat De schoonheid van de echtgenoot dan ook minstens evenveel over literatuur en taal als over liefde. Dat brengt ons terug bij de twijfel over Keats’ stelling, en trouwens ook bij Plato en zijn gekende kritiek op de dichters: brengt literatuur ons tot waarheid, of zet ze ons vast in een schaduwwereld die ons vervreemdt van de werkelijkheid? En is het huwelijk een smartelijke vergissing, of de sublieme, zij het tragische wijze waarop de geliefden zichzelf vormgeven?
Carsons antwoord is niet eenduidig. Soms toont ze hoe het spel van uitstel en verschuivingen pijnlijk op zichzelf stukloopt, maar op andere momenten maakt de pure schoonheid juist een ontsnapping mogelijk. Zo is er bijvoorbeeld een liefdesscène die overgaat in een sneeuwstorm die langs het raam trekt – een beeld dat overduidelijk geïnspireerd is op homerische vergelijkingen. Is de sneeuwstorm eerst nog een metafoor voor het verlangen, al snel koppelt het beeld zich los van elke duidelijke analogie, gaat een eigen leven leiden. In de sneeuwvlagen die door de straten razen, ontsnappen de geliefden aan zichzelf, verdwijnen ze in een moment dat onvergelijkbaar is.
Een van de bewonderenswaardige eigenschappen van dit boek is dan ook dat het geen eenvoudige afrekening is, geen larmoyante aanklacht of biecht. De vrouw en de echtgenoot zijn elkaars tragische bestaansvoorwaarde, de ruimte waarbinnen hun verhaal zich ontplooit.
Als ik je kon vermoorden zou ik weer net zo iemand als jij
moeten scheppen.
Waarom.
Om het aan te vertellen.
