alfabet van de Deense dichteres Inger Christensen (1935-2009) is een uniek en gelaagd dichtwerk dat taal, natuur en het bestaan zelf op een diepe manier met elkaar verbindt. Het boek verscheen in 1981 en geldt sindsdien als een van haar belangrijkste werken, niet alleen vanwege de literaire originaliteit, maar ook vanwege de filosofische diepgang.

Het bijzondere aan alfabet is de structuur: het gedicht volgt de volgorde van het alfabet (van A t/m N), en elke letter vormt de titel van een sectie. De bundel opent met een bijna bezwerende eenvoud: ‘abrikozenbomen bestaan, abrikozenbomen bestaan.’ Deze eenvoudige herhaling laat zien waar alfabet om draait: het benoemen van de wereld als een daad van bevestiging. Taal krijgt hierdoor een scheppende kracht. Naarmate het werk vordert, groeit de tekst en sluipen dreiging en onrust binnen: ‘atoombommen bestaan.’
Christensen bouwt de tekst op volgens de Fibonaccireeks, een wiskundige reeks die vaak voorkomt in de natuur (zoals in de spiralen van schelpen of de bloeiwijzen van planten). De secties worden langer, wat de toenemende complexiteit en onderlinge verbondenheid van de wereld weerspiegelt. Er is een onderliggende orde. De lezer ervaart onbewust een gevoel van organische groei en versnelling, maar diezelfde orde maakt ook zichtbaar hoe alles kan toenemen en uit de hand lopen:
dat we alles uitvagen
alles vernietigen,
zodat het eerste,
het allesbepalende
niets geen kans krijgt
om te dichten zoals
de wind kan dichten
in lucht of water;
Het alfabet blijkt geen onschuldige opsomming, maar een confronterende inventaris van de wereld. Maar zelfs wanneer vernietiging opduikt, blijft de taal doorgaan. Het schrijven zelf wordt een daad van hoop.
ik schrijf als het hart
dat klopt schrijf
de roep van het bloed
en van de cellen van de visioenen
van het geween en van de tong
het roepen
Christensen onderzoekt in alfabet de kracht en de beperkingen van taal. Door steeds terug te keren naar basisletters, vraagt ze zich af wat woorden kunnen betekenen in relatie tot de werkelijkheid die ze willen benoemen. In feite laat ze zien hoe taal vorm geeft aan ons begrip, maar ook tekortschiet in het bevatten van ervaring en de natuur zelf. Het gedicht beweegt zich van het kleine en alledaagse naar het immense en ondoorgrondelijke. Christensen toont een diep respect voor de verwevenheid van alles wat leeft en tegelijkertijd een pijnlijke bewustwording van kwetsbaarheid. Verwondering en gevaar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze viert het bestaan, maar is zich steeds bewust van wat het bedreigt. De ecologische en nucleaire zorgen uit de twintigste eeuw resoneren sterk in het heden.
Christensen wil vertragen, ze nodigt lezers uit om de onderlinge afhankelijkheid tussen woorden en leven, tussen mensen en de levende wereld, te erkennen. De zorgvuldige verweving van structuur en betekenis wordt een ethische daad, een manier om aandacht te schenken. Ze wil laten zien dat taal een brug kan zijn naar een dieper begrip in plaats van louter representatie. Woorden zijn niet louter symbolen, maar levende verbindingen tussen mensen en hun wereld. alfabet is een levend denken.
Je moet de bundel eigenlijk ondergaan. Hoewel de bundel over grote thema’s gaat, blijft de toon impliciet persoonlijk, je zou bijna zeggen intiem. De schoonheid van alfabet komt niet alleen tot uiting in de afzonderlijke regels, maar in de cumulatieve leeservaring. En je voelt een haast kinderlijke verwondering over het simpele feit dat er iets is. Abrikozenbomen bestaan en bommen en fluisteringen en grenzen en vergetelheid en wat na ons komt.