Parkscènes van Frans Budé (1945) bestaat uit maar liefst 240 genummerde kwintijnen over het leven van een naamloze zwerver. Ritmische, klankrijke kwintijnen, iets wat je direct hoort als je ze hardop voorleest.

De eerste bundel van Frans Budé (1945) verscheen in 1984. Hij bouwde een oeuvre op van poëzie, proza en essays. In 2018 ontving hij de Leo Herzberg Poëzieprijs voor zijn poëtische oeuvre.
Het leven van de zwerver speelt zich voor het overgrote deel af in een stadspark. De verteller geeft uitsluitend de gedachten en belevenissen van de hoofdpersoon weer, waardoor wij met hem meedenken en -kijken. Hoe hij zwerver is geworden, komen we niet te weten. Wel vernemen we een enkele keer dat hij een beter leven heeft gekend, maar nu ‘zitten [herinneringen] hem achterna, dringen / binnen, gooien alles overhoop. […] Hij zal ermee moeten leven / zolang de stroom beelden het lijf niet verstilt.’
Ontroerend is kwatrijn 138:
Vroeger had hij een goudvis, twee zelfs. Rondjes
in een grote glazen kom, met hun spitse snuitjes
scharrelend tussen kiezelsteentjes. En hij, het kind,
met zijn neus erbovenop, dromend over de reis
die ze maakten. Elke keer dezelfde, heen en terug.
Als een goudvis in een kom, zo kun je het leven van de zwerver typeren. Hij draait rondjes in de tijd, zijn dagen rijgen zich aaneen, hij scharrelt zijn eten bij elkaar en loopt zijn vaste routes.
Schrijnend is het contrast tussen de binnenwereld van de zwerver en de houding van de buitenwereld. We leren hem kennen als een opmerkzame man met een innige liefde voor de vogels, vissen en dieren in het park. Hij houdt ook hartstochtelijk veel van de oude beuk, die hij personifieert en waaronder hij slaapt. Maar de buitenwereld ziet een haveloze zwerver met een touw om zijn broek, een vuile rugzak en versleten sandalen. Hij wordt genegeerd, geminacht, weggejaagd soms. Maar, het lijkt een bijbelse parabel, er zijn uitzonderingen. Een onschuldige peuter loopt glunderend op hem af met een bekertje, een vrouw reikt hem een bordje eten aan als ze hem ziet, de bollenbakker geeft hem overgebleven broodjes en een marktkoopman ‘is een en al gulheid. / Wat over de datum is, deelt hij met hem.’ Voor het overige leeft hij van wat hij op straat en in afvalbakken vindt. Aan de rivier komt hij tot rust. Schippers beschouwt hij als vrienden. Soms zijn zij vriendelijk; dat ligt voor de hand, want ook zij zijn in zekere zin zwerver.
Het is goed mogelijk Dat Budé gesprekken met zwervers heeft gevoerd, de noodzakelijke voedingsbodem voor zijn verbeelding. Schemert in het volgende gedicht een ongemakkelijk schuldgevoel door, omdat zijn belangstelling voor hen niet belangeloos was?
180
Waar hij vanavond slaapt, wordt hem gevraagd.
En of hij daar al langer verblijft, en waarom.
Hoe hij de dag doorbrengt, aan eten komt,
en of hij zich vergeten of verloren voelt. Toe maar.
Geen enkele echte aandacht voor hem. Raar.
Je kunt het leven van de zwerver zien als een metafoor van het menselijk lot: het besef dat in geboorte de dood reeds besloten ligt, eenzaamheid, hoop, verlangen, ouder worden en sterven. In die zin doen de tijd en plaats er niet toe, wat zich afspeelt is van alle tijden.
In al zijn eenvoud is Parkscènes een juweeltje. ‘Een stèle bij de tachtigste verjaardag van Frans Budé’, staat in het colofon. Waarvan akte.
Frans Budé, Parkscènes. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2025. € 23,95