-archief-auteur).jpg)
Welk gedicht ken je uit je hoofd (of zou je willen kennen)?
Twee favorieten die ik uit mijn hoofd ken, zijn ‘Moed’ van Judith Herzberg en ‘er is alles in de wereld het is alles’ van Lucebert. Vooral als duo – sinds ik ze ontdekte heb ik altijd het gevoel gehad dat ze iets met elkaar te maken hebben, alsof ze twee kanten van hetzelfde proberen te beschrijven. Ik lees of hoor ze ook graag naast elkaar – ‘er is alles in de wereld het is alles’ stel ik me voor als een soort luguber slaapliedje, waarna men dan de volgende ochtend weer wakker wordt om zich zo’n beetje te voelen als in 'Moed'. In beide gedichten weerklinkt iets heel echts, iets dat tegelijk pijn doet en geliefkoosd moet worden. Hoewel ze in taal en vorm misschien ook twee uitersten vertegenwoordigen – de een zo hoekig en met droefheid aan de oppervlakte, de ander veel zachtaardiger – denk ik steeds opnieuw zeker te weten dat die twee gedichten bij elkaar horen.
In welke dagdagelijkse dingen vind jij poëzie?
Ik denk dat bijna alles, zodra je er aandacht aan geeft, poëzie wordt. Heel simpele dingen evengoed als heel ingewikkelde dingen, en dagdagelijkse dingen zeker ook. De kunst is vooral, denk ik, om langzaam genoeg te gaan om er de juiste aandacht voor te vinden, er niet overheen te walsen uit haast of verveling. De keuze maken om ergens over te schrijven brengt die aandacht, denk ik, vanzelf, omdat schrijven zo een langzame bezigheid is. Wat spontane poëzie in het alledaagse betreft is het voor mij vooral wanneer ik fiets of douche dat er beelden en ideeën komen bovendrijven – die activiteiten wakkeren blijkbaar ook een zekere aandacht aan, om te kunnen waarnemen en nadenken en het nadenken waarnemen.
Lees een gedicht van Madelief Lammers
