Die januaridag in 2023 spraken we urenlang, en dat was voor het laatst. De constellatie was ongewoon: ik zat bij hem in zijn bibliotheek in de rol van interviewer en stelde vragen over zijn verzamelde gedichten Zo worden jaren tijd (2023).
.jpg)
We deden allebei ons best, ik met vragen en hij met antwoorden, en we glimlachten daarom. Naar zichzelf kijken als naar een ander kon hij goed, en dan een relativerende kwinkslag maken. Ook zijn gedichten, lange tijd onderbelicht, waren zelfportretten van de ander(en) in hemzelf, en het meest wezenlijke van wat hij schreef. ‘Ik had wel duizend levens / en ik nam er maar één!’ luidt de beroemde versregel uit de cyclus ‘Getijde’ (1978).
De vanzelfsprekende vertrouwdheid, gegroeid tijdens een kwarteeuw samenwerken, stelde ons die dag gerust. ‘Als steeds’, zei hij. We keerden terug naar gezamenlijke herinneringen. Al die jaren was hij op de podia van Het beschrijf en Passa Porta verschenen – in Brussel, Brugge of Berlijn –, en bracht hij me met bevriende schrijvers in contact: Rüdiger Safranski, Joachim Sartorius of Alberto Manguel – allemaal werden ze onze gasten. Ik was jong nog, hij bracht werelden naar me toe. Net zo goed had hij oog voor nieuw talent: ‘Lees Alejandro Zambra’, zei hij toen de jonge Chileen nog volstrekt onbekend was. Bevlogen sprak hij over de jonge fado-zangeres Cristina Branco, voor wie hij een gedicht van Slauerhoff had ingesproken. Of over de graven van schrijvers die hij met zijn vrouw Simone Sassen bezocht, gefascineerd door voorbije levens.
Altijd weer wees hij me weg naar de poëzie. Memorabel was zijn voorstel om met zijn vrienden Remco Campert en Hugo Claus uit elkaars gedichten voor te lezen. Zo geschiedde, in Kaaitheater, december 2003. Toen hij tien jaar later op het Passa Porta Festival zijn Brieven aan Poseidon kwam presenteren, wilde hij weerom tijd voor poëzie. We richtten een podium in met Mircea Cartarescu, Guy Gofette, Leonard Nolens en Adam Zajaweski. Nog eens tien jaar later duizelt het bij die namen op een rij. Cees Nooteboom was de langst levende van zijn generatie en daar leed hij onder. Nu hij ons verlaten heeft, is een tijdperk voorgoed afgesloten.
De herinneringen blijven. Naar Brussel reizen was voor hem thuiskomen, en dat ging evenzeer op voor Venetië of Berlijn. In elke stad had hij zijn ankerpunten. In Brussel: hotel Metropole, boekhandel Tropismes, dineren op de vismarkt bij La belle maraîchère. In Berlijn: de Savignyplatz en de Fasanenstrasse, het Literaturhaus met de tuin eromheen. In Venetië: de Zattere met het Ruskin-hotel en de ‘kade der ongeneeslijken’, waar Joseph Brodsky hem was voorgegaan. In al die steden ging hij rusteloos, al dan niet in zijn verbeelding, op zoek naar plekken om te wonen, weg uit het charmante maar hem ook vaak benauwende Amsterdam. ‘De eeuwige pelgrim van het ontbrekende, van het verlies’, zo beschreef hij de reiziger die hij was, ‘die leeft van zijn verscheurdheid, van de spanning tussen het terugvinden en het weer loslaten (…) hij hoort nergens.’ Die gedachte tekende hij op in De omweg naar Santiago (1992); haast zestig jaar oud was hij, en na zijn doorbraak in Duitsland plots wereldberoemd.
Thuiskomen deed hij vooral op het eiland Menorca, in eenvoud omringd door stenen, schelpen, cactussen, hagedissen. ‘Er liggen zo veel gedachten geplant / in de tuin rond het verlaten huis.’ Tot rust kwam hij bij wat niet spreekt. Om te denken moest de dag leeg zijn, en hijzelf eigenlijk ook. Zo schreef hij 533. Een dagenboek (2016). Wanneer hij wandelde, stroomde die leegte door hem heen, en tegelijk de volheid van de wereld die hij achterliet. Hij bleef bewegen zolang hij kon – want ‘de beweging gaat voor de gedachte uit’. Telefoongesprekken begonnen steevast met de reizen in het verschiet, onvermoeibaar gedreven door nieuwsgierigheid om hoe de wereld draait. ‘Gek, hè’, zei hij dan bij iets wat hij eigenaardig vond. Iets onopvallends, of net iets groots. Tijd, geschiedenis, het heelal, het waren raadsels voor hem net als voor ons allemaal, maar hij gaf woorden aan die raadselachtigheid. En als dat niet lukte noteerde hij, zoals die keer in de woestijn: ‘ik stoot tegen de rand van de woorden, over extase kun je niet spreken.’
Toen ik daar bij hem zat en voorvoelde dat dat voor het laatst zou zijn, vroeg ik hem naar het onophoudelijke lopen en dwalen in zijn gedichten – op duinpaden, schelpenpaden, paden in de woestijn of in de bergen. Vaak bleken het paden naar een andere kant, naar de overkant, met engelen of dode mensen die hem niet met rust lieten. ‘Oh ja?’ zei hij. ‘Dat is me nog niet opgevallen.’ We spraken over het pad naar de einder, het laatste deel van de weg. ‘Het kan goed zijn dat het op Menorca gebeurt’, zei hij, en zweeg. Zo is het ook gegaan. Hij vertrok naar het eiland en kwam niet meer terug.
‘Kom af en toe spoken’, zei hij bij het afscheid van Hugo Claus, inmiddels haast twintig jaar geleden, droef zoals ik hem niet eerder zag. Kom ook jij ons plagerig spoken, eeuwige pelgrim. Vind rust, maar blijf ook een beetje rusteloos. Je ontbreekt ons al.
In 2023 interviewde Sigrid Bousset Cees Nooteboom voor Poëziekrant naar aanleiding van het verschijnen van zijn verzameld dichtwerk, Zo worden jaren tijd. Je kan het interview hier nalezen.
Rotswand
Ik ben hier nog geen uur,
en toch noem je me eeuwig.
Jouw eeuw is mijn seconde.
Terwijl jij denkt dat ik hard ben
voel ik mijzelf vloeien.
Jij bent van vlees,
ik ben van steen
Wij zijn beiden in woorden verborgen,
maar we benoemen hetzelfde.
Omdat jij zo kort duurt duur ik lang,
maar er is geen verschil.
En toch,
eens was ik er niet
lang voor jij er niet was,
en eens verdwijn ik, vergruisd en verpulverd,
net als jij, gerafeld, verwijderd,
en zonder een spoor.
In mijn trage, versteende gedachten
ken ik dezelfde hoogmoed
en dezelfde val.
uit: Zo worden jaren tijd. Gedichten 2002-1955 (De Bezige Bij, 2023), p.412