Glas, ironie & God, een bundel van Anne Carson uit 1995, is nu eindelijk ook in het Nederlands te lezen. De vertaling werd verzorgd door Marijke Emeis, die eerder ook al Rood. Twee romans in verzen en De schoonheid van de echtgenoot: een fictie-essay in 29 tango’s vertaalde. Voor de zoveelste keer bewijst Carson haar inventiviteit, haar veelzijdigheid, haar eruditie, haar eigenzinnigheid. Haar teksten zijn misschien niet altijd even toegankelijk – grensverleggend zijn ze absoluut.

Carson is in haar teksten altijd in dialoog. Met literaire voorgangers, met God, met een versie van haarzelf. In het Glas-essay, het eerste deel van deze bundel en tevens terecht een van haar bekendste gedichten, spiegelt ze haar eigen rouwgevoelens en de isolatie die daaruit voortkomt aan het leven en oeuvre van Emily Brontë.
Ze is mijn favoriete schrijfster.
En mijn grootste angst, die ik het hoofd wil bieden.
Steeds als ik mijn moeder bezoek
voel ik mij veranderen in Emily Brontë,
mijn eenzaam leven als een heide om mij heen,
mijn lelijk lichaam dat over moddervlaktes banjert in de uiterlijke schijn van transformatie
die sterft als ik de keuken binnenkom.
Het Glas-essay, een poëtisch essay dat in deze Nederlandse vertaling maar liefst veertig pagina’s telt, is weergaloos. Alleen al dit gedicht rechtvaardigt de aankoop van de gehele bundel. Carsons beste kwaliteiten zijn erin vertegenwoordigd: het gewaagde doch naadloze vervlechten van literaire genres (het Glas-essay zweeft ergens tussen gedicht, persoonlijk essay, filosofische beschouwing en literatuurkritiek in); de directe, soms haast prozaïsche taal; inventieve metaforen afgewisseld met rake observaties; de rigoureuze intertekst die grootse, antieke bronnen op één lijn plaatst met alledaagse, persoonlijke ervaringen; het narratieve element dat de tekst altijd op vlotte wijze voortstuwt, zodat zelfs de abstractere, enigmatischere stukken een bepaalde spanning behouden.

Je krijgt het er koud van, van dit gedicht. De verteller brengt na een beëindigde liefdesrelatie een bezoek aan haar moeder, die in haar eentje ‘op een heideveld in het noorden woont.’ In de prille, nog ontdooiende lente probeert de verteller grip te krijgen op wie ze nu is door over de hei te wandelen waar ‘na de vorst van de nacht alles glanzend en hard’ is en in het leven van Emily Brontë te kruipen. Brontë, die met onverbloemde hartstocht schreef over een leven dat zij, als eeuwige kluizenaar, zelf nooit meemaakte. Terugkerende thema’s zijn isolatie, gevangenschap, vrouw zijn, observatie en het pijnlijk trage verloop van de tijd. Dat alles is doordrongen van een gotische sfeer en een ondertoon van geweld. Carsons metaforen zijn telkens scherp, vaak in de letterlijke zin: messen, glas, ijs, een nietsontziend licht, lappen vlees die van een naakt lichaam af scheuren.
Er zijn veel manieren om gevangene te zijn,
bedenk ik als ik snel over de heide loop.
Na de lunch gaat moeder doorgaans even slapen
en ik ga wandelen.
De kale blauwe bomen en gebleekte houten luchten van april
snijden me met messen van licht.
Iets erin doet me denken aan kind zijn –
iets met het licht van de stilstaande tijd na de lunch
als klokken tikken
en harten sluiten
en vaders weer weggaan naar hun werk
Maar het Glas-essay gaat net zo goed over het lot van de schrijver, die gedoemd is om vanuit een ivoren toren het leven te observeren. ‘Kijker zijn is geen keuze,’ schrijft Carson. In dat gedwongen kijken zit een bepaalde eenzaamheid, of je nu aan een gebroken hart lijdt of niet.
Schrijvers kunnen niet anders dan kijken – naar anderen, maar ook naar zichzelf. Zo vindt een vorm van verdubbeling plaats. Misschien verklaart dat Carsons fascinatie voor reflecterende oppervlakken, die vele malen en in verschillende vormen in de bundel blijven terugkeren. De schrijver observeert zichzelf als door een stuk glas – een spiegel, een lens, een tv-scherm – altijd met een bepaalde mate van distantie. Carson onderzoekt zichzelf steeds via iets anders: ze koppelt haar ervaringen aan literaire bronnen, spiegelt zichzelf aan anderen. Die ietwat afstandelijke houding en het sterk referentiële karakter van haar teksten zijn wellicht waar Carson naar verwijst wanneer ze het over ironie heeft. Want Glas, ironie & God gaat onmiskenbaar over glas en God, maar de ironie van deze bundel lijkt eerder dan een onderwerp een formele techniek te behelzen. Een levenshouding, zelfs. Carson is analytisch, onderzoekend, verwijst om de haverklap naar mensen, teksten en tijden buiten de wereld van het gedicht. Niets is veilig voor Carsons uit de context rukkende pen, die oud met nieuw, hoog met laag in verbinding brengt, die van Hektor een tv-personage maakt, die Sokrates sigaretten laat roken. Zelfs God niet, die in Carsons complexe netwerk van soms onnavolgbare betekenissen getrouwd blijkt, een erectie heeft en beschikt over een enigmatische vloeistoffenlijst: ‘Alcohol / Bloed / Dankbaarheid / Geheugen / Lied / Sperma / Tranen / Tijd.’
Anne Carson (1950) is een Canadese dichter, essayist, vertaler, classica en professor. Eros, Bitterzoet, een bewerking van haar doctoraalschrift, en Autobiografie van rood behoren tot haar bekendste werken. Ze won vele prijzen, waaronder de Lannan Literary Award, het Guggenheim Fellowship, het MacArthur Fellowshop en de T.S. Eliot Prize.
Carson, die naast dichter ook classica, essayist en vertaler is, staat bekend om haar eruditie. Voor iemand die haar leven gewijd heeft aan het lezen en bestuderen van historische bronnen lijken persoonlijke ervaringen altijd bemiddeld door tekst. En hoewel dat betekent dat haar gedichten vaak reflectief en duidelijk geconstrueerd zijn, zijn ze niet uitgehold door emotionele distantie. Een ironische en al te zeer beschouwende houding kan kwetsbaarheid in de weg staan, maar bij Carson is dat meestal niet het geval. Carson lééft de teksten die ze leest. Vanaf Woeste hoogten heeft ze het einde van haar liefdesrelatie ervaren; haar vervreemding in Italië beleeft ze als ‘De val van Rome’. Zelfs haar meest raadselachtige teksten prikkelen, hoewel ze met haar verwijzingen soms nog wel eens uit de bocht wil schieten: ‘God waste Jesaja’s haar in vuur. // God nam de steun weg. // Onder zijn vleugels van vlees luisterde het land. // U, zei Jesaja. // Geen antwoord. // Ik hoor u niet, sprak Jesaja nu weer onder de Tak. // Licht bleekte de nachtcamera open.’ Wanneer we haar literaire omzwervingen kunnen volgen, wanneer we samen met haar uit de haar zo dierbare bronnen putten, raken haar gedichten het diepst.
Carson liet zich in 2004 in een interview met The Paris Review ambivalent uit over het Glas-essay. Ze had willen reflecteren hoe het leven voelde. Als ze daarin geslaagd was, vond ze, was dat alleen op een oppervlakkige manier, door middel van uiterlijke schijn. Een werkelijk, dieper begrip van het leven overdragen, zoals Virginia Woolf en George Eliot dat konden – een begrip dat je kan ‘ruiken’ – dat was haar niet gelukt. Maar dat weet ik nog zo net niet. Oordeelt u zelf:
Het moeilijkste aan een minnaar verliezen
is misschien zien hoe het jaar zijn dagen herhaalt.
Alsof ik mijn hand in tijd kan dopen
en in een ander land een jaar geleden
blauwe en groene snoepjes aprilwarmte
opscheppen kan.
Ik voel die andere dag als een oude videoband
onder deze lopen – hier gaan we snel om de laatste hoek
de heuvel op naar zijn huis, schaduwen
van limoenen en rozen waaien door het autoraampje
muziek sproeit uit de radio en Law
die zingt en mijn linkerhand op zijn lippen legt.