Aan Kruipruimte, de veertiende dichtbundel van de in Wisconsin geboren Lloyd Haft (1946), gaat een tekst vooraf van Lucebert: ‘door onwerelds licht gevoed leven wij / als vanzelf een duister glansrijk leven half / ondergronds en onderwaters onder gewijde aarde’. In verzen die allerminst gericht zijn op een directe vorm van mededeelzaamheid neemt Haft de lezer mee op zijn persoonlijke verkenning van de ‘kruipruimte’ van zijn bestaan. In het nawoord bij de bundel licht hij de titel ervan toe: ‘Sinds Freud en Jung spreken wij van het “onderbewuste”. Ik neem die ruimtelijke metafoor over wanneer ik zelf de term “kruipruimte” gebruik voor het psychische gebied dat ons (nog) onbekend is en tegelijkertijd nabij.’ En in het titelgedicht, meteen ook het openingsgedicht, verwoordt hij zijn opzet als volgt: ‘dat wij nu déze donkertes / benoemend binnengaan.’

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: