Dit artikel is gratis.

Met Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij biedt Maya Wuytack (1987) een aparte leeservaring. Meer nog: ze probeert deze te sturen door leesinstructies aan het begin mee te geven. Ofwel lees je van kaft tot kaft, ofwel pik je er regels uit door sprongen te maken.

Die richtlijnen hadden niet gehoeven, maar een beginnende poëzielezer zal dit misschien wel waarderen. Ik heb ervoor gekozen het boek op de eerste manier te lezen. Het eerste wat hierbij opvalt, is de lange titel, die met zijn herhaling, binnenrijm, tegenstellingen en ritme een gedicht op zich vormt. Bovendien wordt het als raadsel gepresenteerd. Is het een definitie van angst? Of van liefde? Of kan die ‘iets’ een mens of dier zijn? Wat de betekenis ook is, een dergelijke spraakmakende titel is een verstandige manier om je als dichter te onderscheiden.

Ook de vorm die Wuytack kiest, is vernieuwend. De bundel bestaat namelijk niet uit een aantal cycli met getitelde gedichten, maar uit een uitgebreide opsomming van individuen, zoals de wederziel, de nachtwandelaar en de geliefden, die in korte regels aan het woord komen als getuigen. In hun declaraties staat lijfelijkheid centraal: er zijn lichamen, kaakbenen en netvliezen, er wordt naar adem gehapt en aangeraakt. De natuur is daar een onlosmakelijk deel van. Zo meldt de ongerepte dat er ‘“rivieren uit ons tuimelen”’ en de bewogene: ‘“jij bent de plek / waar je hand rust / waar de storm zich neerlegt”.’

De dichter maakt een goed begin met haar originele concept, maar dit wordt wat afgezwakt door een neiging tot gezwollen taalgebruik, bijvoorbeeld: ‘de ontnomene / “vroeggeboorte van gemis / in de kuil van mijn borst / waar mijn hart wordt opengewoeld”’ of ‘de onuitwisbare / “volg het spoor van tranen / om haar ogen te vinden”’.

Wanneer je als lezer de voorgeschreven sprongen maakt, kan je inderdaad prachtige, beeldende verzen aantreffen. Juweeltjes zijn: ‘een gedicht aan de binnenkant / van een vogel geschreven’, ‘hoe aan mijn takken een hert groeide / dat mij hoefstampend ontwortelde’. Verder intrigeren donkere regels als: ‘aan een touw van zwijgen / mezelf opgehangen’ en ‘ik zag een hart / dat met mes en vork / zichzelf opat’. Af en toe smukken neologismen de tekst op. De ene keer is dat geslaagd (‘zwerfzaam’ of ‘spinnenwebbend’), de andere keer wat minder (‘tegelijkertijdheid’).

Wie nood heeft aan een warm bad van genegenheid en troost, vindt zijn gading in passages als ‘de geliefden / “werelden komen ons / van binnenuit omhelzen”’. Zelf ben ik daar niet naar op zoek; zulke regels voelen vaak stereotiep aan. Ik kijk vooral uit naar originaliteit, een prangend beeldenarsenaal, standvastigheid en een rode draad. Het eerste heb ik gevonden in titel en vorm. Ook de beklijvende beelden zijn aanwezig, al worden deze soms geflankeerd door andere die eerder hoogdravend zijn. In haar opzet is Wuytack consequent en ze houdt de vorm een bundel lang vol. Lijfelijkheid in combinatie met natuur vormt tot slot een terugkerend motief in de verschillende getuigenissen. Kortom, een bundel die goed overeind blijft.