Met de publicatie van de bundel Verdraaide liefde voltooit Jan M. Meier (1951) de trilogie rond de liefde die in 2024 werd aangezet met de dubbelbundel Verstrengelingen , waarin de apart te lezen bundels Verstrengeling en Taalslag waren opgenomen. Drie bundels die in hun onderlinge samenhang de grenzen aftasten van de liefde.

De illustraties in Verdraaide liefde zijn van de hand van collega-dichter en beeldend kunstenaar Johan Clarysse, wiens tekeningen en schilderijen in hun gedurfde en originele beeldtaal de zeggingskracht van de verzen versterken.
‘eieren rapen’, het openingsgedicht van de bundel, zet de thematische lijnen uit die verder aan bod zullen komen. Toonaangevend is de directe betrokkenheid op de taal: de lyrische ik wil ‘dwalen in het letterlabyrint / van eigen makelij’. Echo’s hiervan vinden we terug in verzen als ‘ik ontgraaf de taal’, of in deze mooie strofe waarmee gedicht 10 uit de cyclus ‘Dooikoorts’ aanvangt: ‘weet hoezeer ik regel voor regel / je tracht te vangen in de gespannen / tangen van mijn zinnen’. Iets van deze gespannenheid waarmee de dichter het taalveld betreedt, schemert door in de soms wat al te nadrukkelijke aandacht voor klankeffecten. De ik wil bijvoorbeeld ‘verzen vlechten uit rijshout / in wimperlichte woorden witte klanken / kalken op het kladblad van je bed’ (uit: ‘eieren rapen’).
Verder in het openingsgedicht wordt de blik gericht op de beleving van de erotiek: ‘je lichaam wil ik openvouwen / als een goddelijk geheim / je verlossen uit het touw van geklemde tijd’. Motieflijn in deze benadering is het spel van de vingers: de behoedzaamheid waarmee vingertoppen over het lichaam wandelen, ‘zijn hand vingervoets vooruit’, het zijn ‘speelse suggesties van lust’, ‘we wisselen klinkers uit met een vingertoets’… In de verstrengeling van beider lichamen wordt het liefdesspel gespeeld als in ‘een aloud verhaal / dat ik bedenk met de bekende klanken’. In ‘hymne voor de laatste dag’, het gedicht waarmee de bundel wordt afgesloten, richt de ik zich als in een smeekbede tot de jij vanuit het verlangen naar bestendiging van de liefde: ‘fluister […] dat je de sleutel hebt, me zult ontdooien / met de danslijnen van je lijf’. Hier echoën eerder in de bundel voorkomende verzen, zoals bijvoorbeeld in ‘sneeuwwit’: ‘ik luister gekluisterd, noteer mompelend / een vers met vingers van hoogtevrees’.
Zoek geen jubeltoon in Verdraaide liefde. Liefde resulteert voor de ik uit een blijvende zoektocht naar bevestiging. Sleutelafdeling in de bundel is ‘Dooikoorts’, een reeks van 10 gedichten die geconcipieerd zijn rond het motief van de stilte: ‘laat me van ons / zwijgen de tolk zijn’.
In ‘krokantje van verlagen’, de slotcyclus van de bundel, wordt de liefdesrelatie opgeroepen vanuit een hij/zij-standpunt. Wat de gedichten hier aaneensmeedt, is de aandacht voor het ogenschijnlijk alledaagse van hun samenzijn, ‘het haasje over van bekende rituelen’. Het levert mooie, vaak intimistisch ingekleurde verzen op die vooral te maken hebben met de kledij die warmte en genegenheid biedt. Maar evengoed blijft de dichter zijn plaats opeisen, via subtiel aangereikte allusies. Zo opent ‘breiwerk’ met deze strofe: ‘zij legt de pennen aan / breit lijn na lijn de pijn / uit vingers en hart’.
In hun stevig in de hand gehouden opbouw binnen afgemeten strofes en met weglating van leestekens ontvouwen de gedichten uit Verdraaide liefde een diep doorleefde visie op de liefde.