Toen ik indertijd (Poëziekrant 1, jan-feb 2019) Toon Tellegens Glas tussen ons besprak, wees ik op één van de thema’s in zijn gedichten: ‘De inzet van veel gedichten van Toon Tellegen (1945) lijkt mij dat de “ik” zoekt naar een identiteit, maar hoe verder de zoektocht voert, hoe meer de “ik” ontdekt dat deze versplinterd raakt.’ In het recent verschenen Op mijn tenen ligt het accent van het spel met de identiteiten op de tweespalt tussen een ‘ik’ die veel weg heeft van de inmiddels 85-jarige dichter en diens jongere ‘ik’ naar wie des dichters gedachten en gedichten nogal eens uitgaan: ‘Wie ik was en wie ik zal zijn / ze lijken nauwelijks op elkaar’.

In het eerste gedicht met de veelzeggende titel ‘Het is bijna zover’ evoceert Tellegen tussen de titel en de gelijkluidende slotzin de status quo door middel van een opsomming van synoniemen voor het ‘iets’ dat ‘nog maar hoeft te gebeuren’: ‘het onwaarschijnlijke, zegt de een, / het onmogelijke, de ander, / het ondenkbare, / het ongrijpbare, / het onbeschrijflijke, / het onuitsprekelijke, / het onherroepelijke,/ het onweerlegbare, / het onweerstaanbare, / het onontkoombare…’ (Het is niet onmogelijk ‘de een’ en ‘de ander’ te identificeren met respectievelijk de oude en de jonge dichter.)
Zoals het iemand op leeftijd betaamt grossiert de dichter in herinneringen, waarvan die aan zijn jongere ‘ik’ een goed deel van de bundel uitmaken en dat gaat niet zonder enige ironische melancholie. De dichter beschrijft in het tweeluik ‘Ik was nog jong’ dat iemand hem op zijn weg tegenhield, droogweg mededeelde dat hij (overigens ‘net zo min als wie dan ook’) ‘niet uitverkoren’ is, en beëindigt het eerste gedicht met de verzen: ‘het was toen dat ik verdwaalde en de rechte weg / niet meer vond.’ Maar het tweede gedicht, waarin hij stelt ‘ik wilde verdwijnen’, eindigt met dit verdwijnpunt: ‘ergens in een gedicht.’ Op die manier is ook de titel van de bundel op te vatten. Het gedicht waarin naar de titel verwezen wordt, besluit: ‘en vergeet niet dat ik altijd, altijd op mijn tenen sta / voor jou.’ Die ‘jou’ zou in het kader van de bundel nog gelezen kunnen worden als een meisje uit de jeugd, of de moeder, die beiden figureren in de herinneringen, maar de titel van het gedicht, ‘Muze’, wijst erop dat de dichter het maximale vraagt met betrekking tot de poëzie.
Terugkijkend op de jongere versie kan de dichter aan regels als ‘de weg vol gaten en geschreeuw, gewonden en misvormden, vechtpartijen en verspilling van tijd’ nog enigszins smalend ‘waarlangs ik fluitend liep’ toevoegen, maar in zijn hedendaagse waarnemingen kan hij niet om ‘de werkelijkheid’ heen en worden de dichter en de lezer geconfronteerd met een ‘winter wit van wrevel en fascisme’: ‘toen kwamen ze om de mensen te vermoorden, / maar de mensen waren al vermoord, / lagen al voorover met hun gezicht in de modder // van hun overbodigheid’. Het verschil in toon tussen de gedichten over ‘toen’ en die over ‘nu’ maakt die over ‘nu’ nog aangrijpender. In het gedicht ‘Moedige man’ eindigen drie regels op ‘geeft de moed’; pas de vierde keer volgt daarna: ‘niet op.’