Dit artikel is gratis.

Met het overlijden van Tony Rombouts verliest de Vlaamse literatuur alweer een markante figuur. Rombouts laat niet alleen een omvangrijk poëtisch oeuvre na, hij was ook een talentrijk organisator. Dat zijn werk vandaag niet zoveel bekendheid geniet, hangt deels samen met de stiefmoederlijke behandeling van de Vlaamse literatuur boven de Moerdijk (voor de Nederlandse poëzieliefhebber), maar is ook een gevolg van Rombouts’ nauwe verwevenheid met Antwerpen en de plaatselijke literaire scene.  

Een dromende dandy  

Tony Rombouts was zich al vroeg bewust van zijn roeping als schrijver. In zijn autobiografische kroniek voor het tijdschrift De auteur onderstreept hij hoe hij als jongere een veellezer was met een ruime literaire belangstelling maar ook hoe hij zelf al droomde van een carrière als auteur. Nog tijdens zijn studies aan de normaalschool in Lier (tegenwoordig een bacheloropleiding tot leraar) leert hij Marc Andries (de latere romanschrijver) en Freddy de Vree kennen. Samen smeden ze plannen om de literaire scene te veroveren. In eerste instantie zochten ze contact met de literaire kringen (en de literaire kroegen) in het Antwerpse, maar hun ambitie reikt verder.

Allereerst probeert Rombouts zijn schrijfsels in zoveel mogelijk tijdschriften gepubliceerd te krijgen en bij uitgevers te plaatsen. Samen met Andries vormt hij kortstondig de Vlaamse afdeling van het Nederlandse jongerentijdschrift Hoos (1958-1961), maar al snel kiest hij voor een eigen Vlaams tijdschrift en start hij Stuip. Het blijkt bijzonder moeilijk om het eenmansblad financieel boven water te houden. Daarbovenop komen de problemen om een behoorlijke literaire kwaliteit te garanderen en het tijdschrift in ruimere kring te verspreiden. Stuip fusioneert daarom al na enkele afleveringen noodgedwongen met Baal (van Bobb Bern) en wat later komt daar ook nog eens het Nieuw Tweemaandelijks Tijdschrift bij, maar zelfs die ogenschijnlijke ‘schaalvergroting’ zet weinig zoden aan de dijk. Dit zijn niet toevallig de jaren van broeierige concurrentie en kortstondige samenwerkingen in de Antwerpse avant-garde-scene. Rombouts is overal aanwezig, ook wanneer enkele rebellen een geruchtmakend manifest tegen Paul de Vree verspreiden – de goeroe van alles wat in de literatuur en de kunst naar experiment ruikt. Op happenings en manifestaties is hij nooit ver weg, en als dandy is hij een opvallende verschijning in de stad.

Het zijn voor de schrijver hoogst vruchtbare jaren, met een snelle opeenvolging van dichtbundels (en occasioneel ook proza). Snel na elkaar verschijnen Skunk (een handgeschreven bundel samen met Freddy de Vree), Bergen kristal (een onooglijk gestencild boekje) en Stella Magnola (een samenwerking met beeldend kunstenaar Wout Vercammen, uitgegeven door Stuip). Het zijn bundelingen korte verzen met een overvloed aan beelden en klankspel, eerder gericht op associatieve verbanden en sfeerschepping dan op het brengen van een verhaal of een persoonlijke getuigenis; later worden ze samengebracht in De feodale verzen (1972). Ze passen perfect in het toenmalige postexperimentele klimaat, waarin het esthetisch exploreren van taalverbanden belangrijker is geworden dan maatschappijkritiek en provocatie. De samenwerking met beeldende kunstenaars is dan weer eigen aan de belangstelling van Rombouts. Ook later zal hij nog vaak met schilders en tekenaars samenwerken; zijn laatste bundels waren telkens nauwe co-realisaties met zijn levenspartner Niki Faes.

Gaandeweg vindt Rombouts zo als dichter zijn eigen toon en thematiek. Dichten is voor hem geen vrijblijvend tijdverdrijf maar een identiteit. Dichter-zijn plaatst de mens buiten de gemeenschap, als een radicaal observerende ‘ander’. Rombouts wordt bewust een poseur en een dandy die, gekleed in een wit pak en onvervreemdbaar van zijn witte hoed, flaneert in Antwerpen. Ook in zijn poëzie neemt hij voortaan die gedaante aan, met sprekende titels als De Witte Wandelaar (voor zijn verzamelde poëzie, 2001), Dromende doler (1977) en Een dandy (2005). Ze wijzen op een opzettelijk esthetisch leven. Tegelijk is de dichter zich bij uitstek bewust van de dubbelzinnigheid die inherent is aan zijn project. Wat hij in kaart wil brengen is niet meer van deze tijd. De cultus van de schoonheid heeft iets artificieels en iets wereldvreemds, en bij momenten is de biotoop van het gedicht doelbewust kitscherig en ouderwets. Die dubbelzinnige romantiek uit zich ook in de taal waarvan de dichter zich bedient. Rombouts schrijft een soepel en eigentijds Nederlands, maar tegelijk is hij soms opzettelijk archaïsch en barok om een vergane sfeer en de patine van wat definitief voorbij is (en misschien zelfs nooit echt heeft bestaan) op te roepen. De dichter bewaart en creëert zo wat bedreigd wordt: een manier van denken en leven, het waardevolle verleden, de onuitwisbare herinneringen en beelden die in het geheugen van een mens geëtst blijven. Anderzijds verandert onder zijn pen de dagelijkse wereld tot een soort van geïdealiseerde fictie.

Veel van zijn bundels geven gestalte aan dat eigentijdse romantische gevoel. Er zijn allereerst de talrijke liefdesgedichten, waarin de beminde vrouw steevast wordt getransformeerd tot een archetypische muze. Ze vormt de incarnatie van alles wat de dichter fascineert, en in die zin is haar concrete gestalte (en haar biografische identiteit in Rombouts’ liefdesleven) minder belangrijk dan die symbolische realisatie van het schone, het goede en het ware. Sterker nog, de vrouw van vlees en bloed wordt in feite getransformeerd tot een lichaam van taal door de nauwe verwevenheid van beeld en klank. Daarnaast worden ook steden als Antwerpen (Antwerpen met taal getekend, 1992), Oostende (Les Demoiselles de la Mer, 1975) of Venetië (Carezza Veneziana, 1980) voorgesteld als geliefden; niet toevallig gaat het om plaatsen van vervallen grootheid en vergane glorie. Zelfs een kasteel in de Ardennen kan het onderwerp worden van een hele dichtbundel: Château Les Beaux Arts (2007). Het zijn tijdruimtelijke oorden die voor de poëet Rombouts de weg openen naar een andere tijd, naar een andere wereld, naar het wonder van de poëzie.

Het belangrijkste thema in Rombouts’ omvangrijke poëtische productie is, niet verwonderlijk, de dichter zelf als gestalte en symbool. Talrijke gedichten verkennen de complexiteit van het dichterschap: de rol van de dichter in het leven en de maatschappij, maar ook de kracht van het poëtische woord en niet te vergeten de communicatie met de lezer. Poëzie brengt de identiteit van de dichter tot stand, en niet andersom. Tijdens het schrijven ontstaat een volstrekt eigen wereld, en het personage van het dichterlijke ik is daarvan een essentiële component. In die zin heeft dit omvangrijke oeuvre toch wat weg van een poëtische autobiografie (met de belangrijke episodes uit het leven van Tony Rombouts als ijkpunten), ook al gaat het in wezen om een literaire constructie. In meer dan één opzicht heeft die dichterlijke identiteit zelfs de plaats van de ambtenaar ingenomen: Rombouts wordt gaandeweg zijn dichterlijke persona, ook in zijn dagelijkse omgang met anderen.

Een organisator en pleitbezorger van de poëzie              

De grootste verdiensten van Rombouts liggen wellicht evenwel niet in zijn eigen poëtische productie, hoe aanzienlijk en verdienstelijk die ook mag zijn, maar in zijn rol als onvermoeibare propagandist voor de poëzie. Rombouts was misschien als tijdschriftredacteur niet zo succesvol (al maakte hij zijn leven lang deel uit van redacties), zijn bevlogen enthousiasme wist hij over te dragen op anderen en vorm te geven in tal van realisaties. Van bij het begin van zijn carrière is hij betrokken bij diverse manifestaties in het Antwerpse, vaak doelbewust (of noodgedwongen) in de marge van de contramine. Net als zovele jongeren voelt hij zich uitgesloten door het gezaghebbende literaire circuit van de grote tijdschriften; daarom organiseren zij happenings of een alternatieve boekenbeurs om de aandacht te vestigen op hun werk, ze nemen actief deel aan de activiteiten van het Modernistisch Centrum dat door Paul de Vree was opgericht, ze smeden vooral grote plannen voor samenwerkingen en projecten die zelden of nooit worden gerealiseerd.      

Wanneer Rombouts de kans krijgt om op het Antwerpse stadhuis de dienst Informatie te vervoegen, krijgen zijn organisatorische talenten vrije baan. Daarvoor was hij al actief met het organiseren van poëtische avonden in het legendarische café De Muze, maar later wordt hij bekend als organisator van literaire manifestaties in het Fakkeltheater. Vervolgens houdt Rombouts zich bezig met het organiseren van grotere evenementen: het Steenfestival en diverse Nachten van de Poëzie maar ook het literaire luik van de Paulusfeesten in Oostende. Het zijn telkens initiatieven waar uiteenlopende dichters de kans krijgen om hun werk publiek voor te stellen, met Rombouts als de minzame gastheer en uiteraard ook als een van de deelnemende dichters.

Gaat het bij die talloze initiatieven om eenmalige evenementen (of evenementen met een wisselend programma), dan is Rombouts ook tientallen jaren actief met het uitgeven van dichtbundels, van zichzelf en van tal van andere dichters. In 1972 richt hij, samen met zijn toenmalige vrouw Maris Bayar, uitgeverij Contramine op (na enkele kleinere uitgaven in de marge van Stuip). Daarbij heeft hij de beschikking over een loodzware degelpers met pedaalaandrijving, die hij van dichter Adriaan Peel heeft gekregen. Op die monumentale drukpers zal Rombouts handmatig meer dan zestig dichtbundels vervaardigen, met los te zetten letters, pagina per pagina; voor een enkele bundel gaat het algauw om meer dan vijfhonderd hand- en voetbewegingen. Het is een immens werk, maar het stelt de uitgever-dichter in staat om bibliofiele edities te vervaardigen die vaak een samenwerking van een auteur en een bevriende kunstenaar symboliseren. Uiteraard krijgen de dichtbundels van Rombouts en Bayar in dat fonds heel wat ruimte, maar daarnaast verschijnt ook werk van tal van collega’s, uit het Antwerpse maar ook ver daarbuiten: van Renaat Ramon en Henri-Floris Jespers tot Jo Gisekin, van Ivan Ollevier tot Lucienne Stassaert en Marcel van Maele, van Dirk Claus en Hendrik Carette tot een gezamenlijke realisatie van de postmoderne beeldenstormers Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy. Die verzorgde uitgaven zijn blijvers in het poëtische landschap (ook al gaat het vaak om werk van nobele onbekenden), en de sluwe uitgever zorgde in een aantal gevallen voor meerdere drukken; wanneer het Ministerie van Cultuur onverwacht exemplaren van een uitgave aankocht bij wijze van subsidie werd al eens in snel tempo een veel goedkopere druk gerealiseerd om aan die vraag te kunnen voldoen zonder de fraaie editie voortijdig uit te putten. Wie Tony Rombouts wil eren, moet misschien maar beginnen met een mooie tentoonstelling van die bibliofiele uitgaven, gecombineerd met het tijdschrift Trap waarin de presentatie van die soms unieke bundels werd aangekondigd.  

(Met dank aan de documentatie van Poëziecentrum en de onvolprezen website Schrijversgewijs, die de Vlaamse literatuur op unieke wijze in kaart brengt.)

---

ook de oorlog is een vrouw
haar ogen vuur en kletteren van wapens
de handen staal en blanke marmer
volmaakt geweld in dank aanvaard
de nacht een gruwelijk slagveld
een wondervol mystiek gebed
een liefdezang die wolken brak
en nevels spreidde over water

uit: De feodale verzen (Walter Soethoudt, 1972)