Op 25 februari overleed te Oostende Renée Lauwers (1923–2025), die publiceerde onder het pseudoniem Reninca (van Renata incaritate, ‘herboren in liefde’). Zij bereikte de gezegende leeftijd van 101 jaar en was nog tot kort voor haar dood actief bezig met lezen en schrijven. Toch is haar werk vrijwel onbekend bij de poëzielezers van vandaag, en zelfs bij de meeste literatuurhistorici.
Het is nochtans een tijdlang anders geweest. Toen Reninca in 1945 officieel debuteerde bij de toonaangevende katholieke uitgeverij Lannoo werd zij in een mum van tijd een poëtische ster. De uitgever geloofde zo sterk in de 22-jarige schrijfster dat hij vrijwel gelijktijdig twee boeken van haar hand publiceerde: Wassend getij (in twee delen) en Zaad in den wind (een bundel aforismen). De bundels beleefden al snel herdrukken (met een oplage van enkele duizenden exemplaren), ook al omdat de dichteres voor een talrijk opgekomen publiek haar poëzie begeesterend wist te declameren. Haar erudiete lezingen over poëzie, werkelijkheid en geloof trokken eveneens volle zalen. De daaropvolgende jaren verschenen haar twee belangrijkste bundels: Brandend heden (1947) en Een lied der mensheid (1949). Wat later verscheen Adem der aarde (op nieuw goed voor drie drukken), en in 1960 was er nog Beschavingen, wij rapen u als schelpen. Daarna verdween Reninca definitief van de literaire scène. Het was een zelfgekozen afscheid, mee ingegeven door de manier waarop haar populariteit alle lichamelijke en mentale energie dreigde op te slorpen. Haar literaire oeuvre leek afgerond (ook al zou de dichteres nog vele honderden gedichten schrijven) en voortaan legde de schrijfster zich toe op religieus-verdiepende beschouwingen voor geloofsgenoten. De afgelopen jaren spande haar geestelijke begeleider, priester Dirk Van der Linden, zich in om haar werk opnieuw onder de aandacht te brengen met enkele mooie uitgaven, maar de verspreiding daarvan bleef erg beperkt.

Dat Reninca’s werk op de achtergrond is verzeild, hangt onmiskenbaar samen met de periode waarin het werd geschreven. Zo was de jonge studente Renée Lauwers al bezig met het schrijven van poëzie, en onder meer de jezuïet Leonce Reypens voorzag die probeersels van constructieve commentaar; de gedichten waren nog belerend en schools, duidelijk geïnspireerd door het werk van Alice Nahon. De gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog en de traumatische repressie (met een kortstondige opsluiting in Breendonk) betekenden evenwel een bruusk keerpunt. Voortaan schreef Lauwers onder het pseudoniem Reninca, maar haar werk kreeg ook bewust een veel algemenere inslag. In plaats van autobiografische en anekdotische gedichten kwamen visionaire teksten. Daarin werd apocalyptisch de dreigende ondergang van het Westen opgeroepen, maar dat pessimisme werd gecounterd door de roep om een ‘nieuwe’ jeugd, die daadkrachtig, katholiek en Vlaams zou zijn. Het lyrische ik gaf zich nederig over aan de brede kosmos en de absolute God, maar tegelijk bracht het een profetische boodschap.
Dat geestelijke programma sloeg aan bij de vele katholieke tijdschriften die in de naoorlogse jaren hopeloos op zoek waren naar een nieuw vitalisme om de jeugd aan te spreken. Naast de intimistische lyriek van iemand als Anton van Wilderode – die de vooroorlogse melancholische en introspectieve traditie voortzette – was het daarbij uitkijken naar meer radicale tekenen van vernieuwing. De mystiek aandoende poëzie van Reninca, die geschreven was in een subliem-verheven stijl vol pathos en retorische kunstgrepen, sloeg in dat opzicht bijzonder aan. Invloedrijke critici als (priester-dichter) Albert Westerlinck en Urbain van de Voorde spaarden de superlatieven niet: laatstgenoemde lanceerde zelfs de frase ‘een moderne Hadewijch’, die door bewonderaars gretig werd overgenomen. Vrijzinnige recensenten waren daarentegen ronduit afwijzend, waardoor al snel een controverse ontstond rond ‘het geval Reninca’. Haar Vlaams-nationale achtergrond speelde bij dat alles op de achtergrond zeker mee; niet toevallig verschenen haar verzen ook in groot-Nederlandse tijdschriften als Golfslag en het Nederlandse Roeping.
Wie vandaag deze lyriek leest, komt nog steeds onder de indruk van de opzwepende retoriek en het mystieke en godsdienstige gedachtegoed dat daarvan de basis vormt (maar tegenwoordig wel toelichting behoeft). Reninca was op bijzonder korte tijd uitgegroeid tot een volstrekt eigen en voldragen literaire stem. Toch zijn het vooral de versoberde verzen en een aantal van haar aforismen die (vooral gelovige) lezers zullen blijven aanspreken.
Als aan den tijd de cosmos zal ontgroeien
en deze dampkring voor Gods aanschijn scheurt
O lichaam, donker rijk, dan zult gij gloeien
– als nooit een hemellichaam is gebeurd –
Van dezen geest, ontvoerder uwer zinnen,
wiens zaal’ge zege gij in smart verbeidt,
van dezen stouten geest die u naar binnen
verteert en tekent met onsterflijkheid …
Nu laait hij dag en nacht tussen uw wanden
– een zwervend ziener door uw blind bestaan –
o lichaam, donker rijk, gij voelt Hem branden
en kent Hem niet, nog niet, als een orkaan.
Uit: Een lied der mensheid (Lannoo, 1949)
Aforismen:
– Plichten zijn de vormgeving van het inwendige
– Reis naar het land van de inwendigheid en keer terug om het uitwendige te verinwendigen
– De stroom die zich in Zee werpt, draagt alle wateren in zich, maar herinnert zich niets meer
Alle uit Sta stil (Dirk Van der Linden, 2023)