Dobberen, de debuutbundel van de Nederlandse dichter Sophia Blyden (1993), steekt meteen van wal. Het openingsgedicht ‘Saga’ weet in enkele rake verzen tot de kern van de zaak te komen:
alles heb ik bij elkaar gelogen
Saga leeft alleen aan het wateroppervlak dobberend
tussen fantasie en realiteit
een moeraswezentje dat soms lacht dan weer
huilt

Saga, het dochtertje waar de ik soms wel en dan weer niet naar verlangt, dat soms wel dan weer niet bestaat, drukt de soms tegenstrijdige verlangens van de spreker uit. Dit ‘kikkervisje’ wijst zo op de complexe identiteit van haar moeder die naar analogie met de amfibie niet in één hokje geplaatst kan worden.
Tegelijkertijd duidt haar naam op de mythische onderstroom die ten grondslag ligt aan deze fluïde bundel: een levensecht familieverhaal waarin ook heel wat ingebeeld wordt. Zo uit het leven gegrepen is deze bundel dat Dobberen soms op het randje van het platvloerse balanceert, zoals wanneer op onverbloemde wijze geschreven wordt over het ontharen van de schaamstreek in waxsalons of de ‘slechte seks’ die volgens de bundel bij het ouderschap hoort. Zo fantasieloos als deze voorbeelden mogen lijken (met de nadruk op lijken, want ook in deze gedichten huist wel degelijk een maatschappijkritisch potentieel van een ontluikende sisterhood), zo verbeeldingsrijk zijn sommige andere gedichten, waarin afwisselend (Engelstalige) referenties aan sprookjes (zoals Roodkapje) en liedjes van Taylor Swift en Britney Spears de revue passeren. Niet voor niets is de bundel opgedragen aan de ‘Britney[s], Demi[’s], Kesha[’s] en Taylor[s]’ van deze wereld
Toch zijn het niet (louter) deze verwijzingen naar de hedendaagse popwereld die de bundel zijn verfrissende elan geven. Dat doen vooral de vele maatschappijkritische gedichten, waarin het wijdverbreide geweld tegen vrouwen en de gevaarlijke Instagram-aesthetic van ‘sad girlie[s]’ die ‘medicijnen slik[ken]’ op de korrel genomen worden. Zo wordt in het ijzersterke gedicht ‘Icarus’ de soms onmenselijke druk op vrouwen om aan een (tegenstrijdig) ideaal te voldoen kritisch tegen het licht gehouden: ‘we hadden je nog gewaarschuwd – don’t girlboss too close to the sun – / je luisterde niet’. Bovendien gaan zeker vijf gedichten expliciet over seksueel en partnergeweld, gaande van aanranding en verkrachting in de openbare ruimte in ‘Parijs’ en ‘Málaga’ tot geweld door bekenden in het drieluik ‘relatie in rood’ en het gedicht ‘zoem zoem zoem’.
Blyden spaart geen heilige huisjes, zoals ongewenste kinderen en hypocriete vrienden, relaties die aan de vraag of men kinderen wil ten onder gaan, de jaloerse kant van het draagmoederschap en de zogezegde aanvaarding van maar in feite geniepige, patriarchale minachting tegenover biseksuelen. Daarbij kan schijnbare banaliteit in feite bloedserieuze onderwerpen verteerbaarder maken, zoals wanneer de spreker zich luidop afvraagt of ze haar roots verloochent: ‘wat zullen mijn voor ouders wel niet denken? / ze is lovesick boy crazy en luistert alleen / naar witte popmuziek’ . Deze bundel bevat echter niet alleen maar kommer en kwel. Bijna groteske verwijzingen naar Het meisje met de zwavelstokjes (‘waarom vindt niemand mij zielig?’) en het bekende levenssimulatiespel De Sims, waarin mensen hun donkerste fantasieën kunnen botvieren door onder meer Sims moedwillig te laten omkomen (‘we got bored and drowned Fred in the pool’), zorgen voor de nodige verlichting.
Dit veelbelovende debuut is bovenal een krachtige ode aan de vrouw, die in al haar kwetsbaarheid en lichamelijkheid opgeroepen wordt: ‘meisje! meisje! psst meisje! / vrouw?’. Het vervolg op deze imitatie van seksuele intimidatie mag de lezer zelf invullen wanneer het slotgedicht eindigt met ‘we noemen haar’.
