Zoals ik al vaak heb gezegd, is het schrijven van gedichten geen erg efficiënte manier om een menigte op de been te krijgen. De effecten van een gedicht zijn ongrijpbaar, vluchtig, als het al lukt om een effect te sorteren op de lezer of luisteraar: veel mensen bedanken voor de eer publiek te worden van een gedicht. Jammer voor hen, maar eigenlijk niet zo verrassend: er zit iets vervreemdends in lyrische poëzie, in die merkwaardige neiging die ze heeft om zich te richten tot afwezigen en doden, natuurkrachten, gebouwen, wandelstokken, concepten. Waar proza ons de meer geruststellende situatie biedt van een verteller die ons gebeurtenissen of concepten meedeelt in de impliciete veronderstelling dat wij willen weten wat hij ons te vertellen heeft, schreeuwt de woordvoerder in een gedicht over onze hoofden heen naar De Verre Geliefde! De Muze! De revolutie! De geest van nieuwe muziek! Wij, als publiek, bevinden ons in een eigenaardige driehoek: de woorden die aan ons worden overgebracht zijn niet voor ons bedoeld. Identificeren we ons met het lyrische onderwerp, die ‘ik’ die over onze hoofden heen spreekt, of eerder met de verre ‘jij’ tot wie het zich richt? De kans is groot dat we tussen hen heen en weer blijven gaan. Ook als zo’n aanspraak niet letterlijk plaatsvindt, en er misschien niet zo’n duidelijke richting of geadresseerde is, hebben we alsnog te maken met een zwevende stem die zonder context en met veel pathos spreekt, maar niet om ons iets te vertellen.
Dit artikel is enkel voor abonnees
Om verder te lezen op poeziekrant.be:
- meld je aan als abonnee
- of neem een abonnement
- of koop dit artikel voor €3