In het begin, vroeger, maakte ik strips, tekst en tekeningen, die ik, vanaf mijn elfde, publiceerde in het plaatselijke wijkkrantje van de buurt waar we woonden, in het charmante havenstadje H., in de oksel van Noord-Holland. Geen vuiltje aan de lucht, tot ik, zo rond mijn achttiende, zogenaamd moest ‘kiezen’: schrijven of tekenen? Mijn eerste midlife crisis: ik was verlamd en deed gedurende anderhalf jaar niets meer (behalve braaf geschiedenis studeren: niet alleen geen vuiltjes aan de lucht, maar helemaal geen lucht meer). Langzaam krabbelde ik er weer bovenop, door weer, net als vroeger, in het begin, te doen wat zich aandiende. Filosofie is geen leer, maar een bezigheid, zei Wittgenstein, en hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor schrijven en tekenen. En ook voor vertalen: het is geen theorie, maar praktijk. Wat ik me ‘in de eerste plaats’ voel (ook dat ben je geneigd tussen aanhalingstekens te zetten) hangt dus maar helemaal af van wat ik op dat moment aan het doen ben. Als ik er al over nadenk, en dat is meestal niet terwijl ik aan het werk ben, maar als ik op dit soort momenten met m’n stompe neus op de feiten wordt gedrukt. Ja, het ‘eigen creatieve werk’ kwam eerst, maar ik zie de vertalingen als een rechtstreekse voortzetting daarvan, met andere en soms zelfs dezelfde middelen. Na ontelbare reisgidsen vertaald te hebben, was mijn literaire debuutvertaling (samen met dhr. R.J. Henkes) Finnegans Wake van Joyce: een boek dat al je creatieve vermogens en vrijheden aanspreekt, met lezen, maar zeker ook met vertalen.
Dit artikel is enkel voor abonnees
Om verder te lezen op poeziekrant.be:
- meld je aan als abonnee
- of neem een abonnement
- of koop dit artikel voor €3