Dit artikel is gratis.

Na Inschepen en vertrekken is podiumdichter Tom Driesen (1984) aan zijn tweede bundel bij uitgeverij De Zeef toe. Dit nieuwe hoofdstuk in zijn oeuvre draagt de titel Mythomaan . Hij doelt hiermee niet zozeer op de neiging tot pathologisch liegen, maar eerder op de onweerstaanbare drang om krachtige verhalen te vertellen.  

De gedichten die opgenomen zijn in deze bundel vormen inderdaad miniatuurverhalen die aanleunen tegen het concept van hervertellingen van gekende verhalen. Om aan zijn materiaal te komen, heeft Driesen twee grote bronnen aangeboord die nog steeds relatief dicht bij de West-Europese lezer staan en daardoor gemakkelijk herkenbaar zijn: de joods-christelijke traditie en de Grieks-Romeinse mythologie. Gezien we het christendom niet zonder de antieke context en bijbehorende beïnvloeding kunnen zien, is het niet vreemd dat Driesen zijn muze zoekt in de teksten van beide reservoirs aan oeroude vertellingen. Hij is niet de eerste die bijvoorbeeld de overeenkomsten opmerkt tussen Christus en Prometheus: ‘Hier wil ik elke dag / de pijn voor in mijn lever voelen / hiervoor wil ik ketens dragen.’  

Een van de oudste functies van religie is een verklaring bieden voor hoe de wereld in elkaar zit. Zo kent elke cultuur haar oorsprongsmythes. Driesen voegt er de zijne aan toe in welgeteld vier gedichten die telkens een nieuwe reeks inleiden. Deze intro’s heten allemaal ‘Schepping’ en leveren op die manier een mooi passende herhaling op. Driesen verkent in deze cycli niet alleen de verhalen van mannelijke ‘personages’ zoals Mozes, Samson, Daedalus en Herakles. Hij werpt ook een licht op vrouwelijke figuren zoals Ruth, Lilith, Penelope en Andromeda, hoewel de mannelijke karakters vaker de boventoon voeren.  

Deze dichter incorporeert een eigentijdse sfeer in zijn verzen door ze te injecteren met humor en door verschillende woordvelden met elkaar te laten botsen, bijvoorbeeld religieus jargon enerzijds en de termen voor keukengerei anderzijds. In ‘Het ding met Mozes en ik’ treffen we beide troeven (scherts en collisie) aan:  

Zo staan wij hier: Mozes en ik
bij ons beloofde land
van theekoppen, brood, melk, honing
en in mijn geval ook wel een wafelijzer
en weten niet
wat we hier
in godsnaam kwamen doen.  

Zoals steeds meer hedendaagse auteurs heeft Driesen herontdekt dat oude verhalen en godsdienst mooie beelden herbergen. In hetzelfde gedicht vinden we ook: ‘De heilige berg / van een slaapvertrek afdalen’ en wat verder in ‘Maria: Golgota’: ‘Maar waarom / voel ik spijkers door mijn lege handen?’
Een van de sterkste gedichten is voor mij echter ‘Sater’, waarin Driesen de klassieke kwelgeest een plek geeft in het heden maar tegelijk spaarzamer is met de rechtstreekse verwijzingen naar zijn eerder genoemde stokpaardjes. Hij hanteert een directe toon en heldere taal die herinneren aan de podiumdichter:  

Dat ik overeen bleef komen
met de moeder van mijn kinderen.
Dat ik altijd weer de voordeur vond
in plaats van ruiten in te timmeren.
Hoe vaak hebben mijn middelvingers
in mijn broekzakken gezeten?  

Dankzij het gebruik van bevattelijke taal kan de lezer van deze poëzie genieten zonder elke inspiratiebron of referentie van Driesen te kennen. Wat eerder gezegd werd over deze dichter klopt: zijn woorden zijn geliefd op het podium én op papier.