In een wervelend landschap van woorden tekent Geert Viaene (1963) zijn Remedies tegen onverschilligheid uit. Wegkijken van wat mensen elkaar aandoen door oorlogsgeweld of door de verregaande veronachtzaming van alles wat met de klimaatommekeer te maken heeft, kan niet meer.

Uit de manier waarop Viaene de lezer confronteert met een weinig rooskleurig toekomstbeeld, spreekt zijn directe betrokkenheid. En hoe dan ook: in de suggestie van een mogelijke ‘samenspraak’ (de titel van een van de cycli uit de bundel) leeft de hoop op een mogelijke uitweg.
Remedies tegen onverschilligheid opent met drie nauw bij elkaar aansluitende gedichten over Gaza en de dreiging van een totale ondergang: ‘De hemel is afvalzwart’, je hoort nog wel hoe de geiten grazen, maar steeds voel je de angst, ‘het davert bij elke inslag’, ‘kan iemand deze woedeketen weer uitschakelen’… Van Gaza gaat het naar Tsjaad, waar zwangere vrouwen overgeleverd worden aan de peptalk van holle verwachtingen omtrent hun vrouwelijkheid, tot en met ‘geslachts – [KV1] / veranderingen die onopvallend zijn, abortus // en gearrangeerde huwelijken en dit alles op / een romantische plek, midden in de woestijn’. In de omtrekken van de dichterlijke verbeelding verschijnt dan het meisje Lina in ‘Een Delvaux in een gouden stroom’, een aanpak die verder in de bundel echoot in ‘Delvaux in een hedendaags kleedje’. Wat in diens werk blijvend aantrekt, zijn de meisjes in porseleinen huid, het ‘kantwerk in het theater van de dromen’. Ook verder in de bundel zal Lina haar opwachting maken, zij is ‘tegelijkertijd een zon- en wolkendrager’.
Het blijven verdroomde beelden, tegenstrooms opdoemend in een wereld die nauwelijks nog herkenbaar blijft en aan een noodzakelijke ommekeer toe is. Weer grijpt de dichter in: ‘we gaan ervan uit dat het draag- / vlak zichzelf opnieuw zal afstemmen op wijzigingen’. Het zijn die metamorfoses die we uit de drang om te overleven zullen moeten omarmen. In het breed uitdijend spectrum van de verbeelding scherpt Viaene het personage Mo die ‘in sparteltaal’ uit de zee wordt geboren en als een golem zijn weg zal dienen te zoeken in het bestaan.
In dit alles overkoepelend gebeuren van sterrenregens, zeeën die zich terugtrekken, eilanden die verdwijnen, is ook plaats voor relativering: ‘gelukkig ontstaat bijna alle nieuwe leven / uit dode materie, koester piepkleine kiemen / in je handpalmen, omarm elke metamorfose’.
Op het omslag van de bundel staat de dichter afgebeeld als alchemist. In het labo van zijn bizarre fantasieën wordt de schepping van een andere wereld toebereid. De cycli waarmee de bundel wordt afgerond, tonen weer de directe bekommernis en betrokkenheid van de dichter. Die gaat ‘Op zoek naar de bronnen van het levenslicht’, vanuit het besef dat er nood is aan ‘samenspraak’, ook met de omgevende natuur. Bijzonder mooi is bijvoorbeeld het korte gedicht ‘Zie de bomen bloeden’, dat opent met deze terzine: ‘aanhoor hoe bomen slapen / luister hoe het hart vertraagt / hun ogen stralen’. En verder is er de tederheid, het fundament waarop ‘de nieuwe stad’ (de titel van de slotcyclus) kan worden gebouwd: ‘in dit boeddooraderd landschap vervlecht de liefde zich / de wind tilt paardenbloempluisjes op die zompige landen / aan de overkant’. Het zijn verrassend intimistisch ingekleurde verzen in een bundel die nadrukkelijk inzet op de kronkelwegen van de verbeelding.