Dit artikel is gratis.

Soms duurt het even voor je landt in een bundel. Op de voorkant van de zevende bundel van Jana Arns (1983) staat een volwassen, vermoedelijk al wat oudere vrouw in een lange jurk, blote voeten, met om haar heen een opgeblazen zwemband in de vorm van een flamingo. Met het hoofd van de kijker afgewend, omhelst de vrouw de flamingo. Het beeld is vervreemdend: een volwassen vrouw heeft doorgaans geen zwemband nodig, zeker niet zonder water in de buurt, en meestal ook niet over haar jurk heen.

Naast deze vervreemding, of juist daardoor, oogt de vrouw kwetsbaar. Klampt ze zich vast aan een illusie, of aan het kind in zichzelf? Is ze bang om te verdrinken? En dan is er de titel: Tussen messen slapen. Ook daar schrijnt iets. Titel en beeld zorgen ervoor dat je behoedzaam de bundel betreedt.

Het openingsgedicht toont een ‘ik’ en een ‘jij’ die van elkaar houden en inmiddels wat ouder zijn geworden: ‘Ook in deze kreukelzone / waar affectie braille is, / lees jij nog steeds de beste verhalen.’ Beiden zijn in richtingen gegroeid die ze niet per se voorzien hadden. Het deel dat hierop volgt, heet ‘Een wolfskwint huilen’. Een wolfskwint is net geen zuivere kwint en klinkt daardoor vals. Je voelt ook hier het schrijnen in de relatie. Arns doet dat met treffende beelden:  

Nu we krimpen in elkaar,
de jaren uitgedijd,
grijp je naar mijn borst als naar een klink.

[…]

Dan kom je op me liggen
zoals een bloem droogt in een boek.
Dichtbij kan jij ons script niet langer lezen.  

Net als bij het beeld op het omslag voel je de liefde, het geluk misschien zelfs, van weleer, en toch is er iets veranderd, waar je het maar mee moet doen.

In het tweede deel, ‘De zelfmoord van de dichters’, wordt het drama nog wat opgevoerd. In zeven gedichten staat Arns stil bij de zelfmoord van verschillende dichters, ook hier weer pijnlijk treffend, zoals in ‘Départ Paul’, over de zelfmoord van Paul Celan: ‘Als Jood ritueel gewassen, / stroomde je tussen baars en vaarn, / tien dagen, als flessenpost mee.’

De bundel is scherp en legt het woord op de zere plek. In ‘Hashtag’ vind je allemaal gedichten die verwijzen naar speciale gelegenheden, zoals ‘#Weekvandepleegzorg’ of ‘#Internationaledagvandevrijwilliger’. Waarschijnlijk heeft ze die in haar functie als stadsdichter van Deinze geschreven. Ook in deze afdeling zie je een combinatie van compassie en vlijmscherpe observaties, zoals in ‘Kantlijn’ bij ‘#wereldarmoededag’:  

Hogerop kan enkel in het woonblok.
In kamers met zuurstofgebrek
toren je uit over andermans dromen.

Ook in de delen ‘Een laatste ademwolk’ en ‘Wildklem’ zie je een groot engagement, versterkt door Arns’ spitsvondigheid. In ‘Bird strike’ spiegelt ze onze drang om de wereld over te vliegen, terwijl we het liefst onze ogen sluiten voor aanvaringen met vogels. Daarbij heeft ze het over vliegtuigen die ‘het nest’ verlaten en aluminium dat niet ‘terugveert’. Oorlogsgebied beschrijft ze als een ‘legodorp’ met ‘verstikkingsgevaar’ voor kinderen, ‘te jong voor dit speelgoed’, die op zoek zijn naar ‘onderdelen van een familie’. Maar als je weg wil, is er ‘geen deur meer om door te vluchten’.

Doordat Arns zorgvuldig haar beeldspraak kiest én volhoudt, komt haar poëzie messcherp binnen en kun je de bundel bijna niet zonder gebroken hart dichtslaan.

-----

Wil je meer weten over de poëzie van Jana Arns? Op 29 januari 2026 ging Dirk De Geest (KULeuven) met haar in gesprek: