De Indische ouders van Mirjam Musch (1955) vestigden zich medio jaren ’50 in Nederland. Over hun aankomst in de haven van Rotterdam schrijft Musch in ‘voet aan wal’: ‘ik zag voor het eerst de zee bij nacht / door de navel van mijn moeder / die misselijk op het dek stond’. In haar bundel Bloedlijn brengt ze via onder meer het ouderpaar haar persoonlijke levenslijn in kaart. In ‘Papier’, het op één na laatste gedicht uit de bundel, heeft ze het dan weer over het schrijven zelf: ‘ik geef je een spoor van mijn binnen, / vertrouw je mijn ideeën toe’. Het schrijven als ‘de kunst van het doorgeven’, de taak die de ‘dochter’ (de titel van het slotgedicht) op zich heeft genomen: ‘met iedere tel / zoekt je middenrif de grens op // adem door’.

Op het omslag van de bundel staat een foto van de grootmoeder van Musch. Over haar schrijft ze: ‘ik zie je onderzoekende blik / (…) ik zie de rebelse ogen / die je moeder / en het stijve kant om je schouders / koppig weerstaan’. De bloedlijn memoreert via de gevoelens van gemis van de grootmoeder het levenslot van haar moeder: ‘voor de tweede keer de oceaan over / nu met drie dochters en een kleine op komst / is het verleden uitdagen’. In directe bewoordingen schrijft Musch over de relatie tussen haar ouders (‘ze trotseerden de zee, maar / hielden hun angsten vast’), over de ontreddering van haar moeder (‘die verwardheid / ze wilde blijven, maar ook weg / weg van alles of niets’), over de vader die begrip toonde en is blijven tonen, (‘in het woud / is hij de eerste boom / die wortel schiet na de ijstijd’).
Persoonlijke herinneringen aan haar verblijf in Latijns-Amerika en haar verdere verblijf in Nederland vormen de opstap naar een verbreding van de thematiek. Musch schrijft over de bootvluchtelingen, over de administratieve lijdensweg voor de asielaanvragers, over haar wens zich hun lot aan te trekken, over de armoedegrens waarop vluchtelingen zich bewegen (hier treffend geïllustreerd in het gedicht ‘nieuwkomer’, waarin de kleine nieuwkomer zijn moeder om een volle winkelkar vraagt, maar ze ‘zwijgt, / kust de foto op haar mobiel / de vaat wacht op het aanrecht’), over de Portugese poetsvrouw (‘iedere avond haal ik strepen weg / die er overdag zijn ingelopen / door onverschrokken verplegers en medici, / ziekenbezoek dat zachtjes is binnengeslopen’).
In zijn voorwoord bij Bloedlijn omschrijft Ingmar Heytze de bundel als ‘een wereld- en een tijdreis’. Het is de verdienste van deze bundel: Musch kijkt verder dan het louter persoonlijke. De gedichten, veelal opgebouwd in netjes afgelijnde en in lengte wisselende strofes, houden weinig verrassends in. Wat primeert voor haar, is de boodschap die ze wil overbrengen.