Willem, u weet wel, die madocke makede, verzoekt – nee, bidt! – in zijn proloog tot Van den vos Reynaerde, ‘beyde den dorpers ende den doren / oftsi comen dar si horen / dese rime ende deze woert / dien si onnutte sijn gehoert / dat si se laten onbescaven’, want […] ‘si maken sulke rime valsch’. Men zou deze verzen kunnen vertalen met: ‘Ik bid de lomperds en dwazen, als zij komen waar zij ze horen, om deze rijmen en woorden, die aan hen niet besteed zijn – niet te verbeteren, [want] zij maken zulke verzen vals.’

In de nieuwe, sprankelende vertaling van Harrie Geelen, Willem, De zaak Reinaerd Vos, staat het er zo: ‘Een ding moet mij van het hart: / ik bid en smeek nog vóór ik start / kleinsteeds volk en kletsmajoren, / als zij iets onbehoorlijks horen, / als iets niet aan hen is besteed, / (geen iets zinnigs te zeggen weet), / dat zij dan niet zelf gaan schaven. / […] [want] [hun] ‘verzen smaken nergens naar.’
Gezien vanuit verteller Willem is de hierop volgende opdracht aan ‘de gone […] [die] leven hoveslike’ (Geelen: ‘voor wie onkreukbaar leven’) een ironische opmaat tot een tekst waarin hij zijn publiek de zeven hoofdzonden voorschotelt. Gezien vanuit Geelen lijkt het daarnaast een opdracht aan zichzelf: niet gaan schaven, want het moeten verzen worden die ergens naar smaken!
En dat doen ze. Enerzijds blijft Geelens ‘schaven’ niet alleen inhoudelijk trouw aan het origineel, ook het gepaard rijm en de ‘ritmische variaties, de huppeltjes in de tekst’, zoals hij dat in de tekst achterop het boek noemt, zijn in zijn hertaling bewaard gebleven.
Anderzijds verloochent Geelens hertaling zijn speelse creativiteit natuurlijk niet wanneer dat kan. Een mooi voorbeeld – uit vele – is de passage waarin Cortoys, het ‘hoofse’ hondje klaagt over Reynaert: ‘Als ysegrim dit heft gesproken / stont op een hont ende hiet cortoys / ende sprac den coninc in fransoys / hoe i so arm was wilen eer / dat hi als ne hadde meer / op enen winter in enen vorst / dan enige worst / ende hem reynaert die selve nam’. Je hóórt de vertaler haast likkebaarden wanneer hij hiervan, accenttekens typend, maakt: ‘Ysegrim was uitgesproken. / Nu hield de kleine hond Cortoois / zíjn betoog (in hoog Fransoois): // ‘Oe íj een wientèr aas krèpeerde, / sneeuw en wind en kou trotseerde, / en vèrstijfd bij barre vorst / kort wat troost vond ien een worst / maar béroofd werd door Renard.’
Bij het herlezen van de ‘originele’ tekst, een uitgave waarvan de bladzijden voor de helft uit voetnoten bestaan, náást de versie van Geelen viel me op dat de verteller op enkele momenten inhoudt. Wanneer Nobel, nadat hij door de vos omgekocht is, Reynaert vergiffenis schenkt, staat er vrijwel zakelijk: ‘Doe nam die coninc ene stro / ende vergaf reynaerde algader / den wanconst van sine vader / en sines selves mesdaet altoe’. Geelen zet dit al even droog neer: ‘De vorst gaf hem een strohalm. Nou / was naast wat pa Vos had misdaan / Reinaerds eigen wangedrag / ook in een klap van de baan.’
De loftuigingen die Geelen als vertaler van Ovidius’ Metamorphoses en Heroides ontving, kunnen derhalve moeiteloos herhaald worden: hier is een dichter aan het werk; dit boek lezen is een feest.
Nog meer Reynaert? Beluister ook de podcast met mediëvist Frits van Oostrom over zijn leven met Reynaert de Vos: