De ruim vijftig gedichten die zijn opgenomen in Lichtgezichten van Jan van Meenen hebben iets met het licht. In ‘Wellicht’, het slotgedicht van de bundel, luidt het: ‘En altijd weer dit licht, / en altijd wel net even anders oogstrelend’. Van ‘Glimlicht’ over ‘Klimlicht’, ‘Grimlicht’ en zovele andere, om het beeld tot stilstand te brengen in het afrondende ‘Blijflicht’: Van Meenen ontwerpt een woordenlandschap vol neologismen waarin vooral wordt gefocust op het licht. In een wisselende setting, die de lezer onder meer meevoert naar Italië en Portugal, maar even vaak nadrukkelijk dicht bij huis blijft, zet het licht de verzen in kleur, uitbundig aanzwellend, soms in zijn volheid gesuggereerd vanuit het tegenlicht, dan weer verstild en verstillend, zoals in het mooie liefdesgedicht uit de reeks ‘Dimlicht’: ‘Net voldoende licht bleef er over: / de matte glans van bijenwas’. Ook de toonzetting van de gedichten blijft erg gevarieerd: speels (zoals in ‘Vondelpark’: ‘Het was mei en we zouden het weten: / er werd gezoend en op blote ruggen gestreeld dat / het een aardje had’), terugplooiend op de kindertijd die – vergeefs weliswaar – tegen het verglijden van de tijd behoed dient te worden (uit ‘Vogelei’: ‘Het kwam er op aan zolang het geheim / te bewaren tot het vleugels kreeg’), anekdotisch ingekleurd (uit ‘Lisboa’: ‘Pessoa heeft hier zijn bronsje, / Herman zijn tegel.’), vol ingehouden emoties (het in memoriam patris ‘Afscheid’: ‘We hebben veel gezwegen samen, / met wuivend in de mond de woorden / die we in de ogen namen’). In die veelheid van licht blijft uiteindelijk, zoals verwoord in ‘Er is’, het op een na laatste en een van de mooiste gedichten uit de bundel, dit: ‘Altijd wel iets is er: / het wit. Het omhelzen van niets’.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: