De onlangs gepubliceerde tweede bundel van Elise Vos (1984) draagt de bevreemdende titel Van alles de laatste. Je hebt als lezer de neiging het lidwoord ‘de’ te vervangen door ‘het’, omdat het om een zelfstandig gebruikt adjectief lijkt te gaan. Maar lectuur van het gelijknamige gedicht leert dat de titel niet toevallig elliptisch en ambigu is: ‘van alles zegt hij / onvermoeibaar / dat deze keer / de laatste is’. Lectuur van de uit vijf reeksen en een slotgedicht opgebouwde bundel leert bovendien dat deze kunstzinnig vormgegeven hardcover suggestief omgaat met de verstrengeling van leven/geboorte en aftakeling/dood. En met de verwoede, maar tot falen gedoemde pogingen van een (oudere) hij- en zij-figuur om het afscheid van een vertrouwde of nieuwe habitat zo lang mogelijk uit te stellen.

In de tweede druk van het debuut Bolster (2024) wordt op de binnenflap het juryrapport van de C. Buddingh’-prijs 2025 geciteerd: het stelt dat Vos zich bedient van ‘een gedragen taal die als een stoofpot om zich heen geurt’. Hetzelfde citaat staat ook achterin de nieuwe bundel, waarbij de jury zich tevens afvraagt ‘welke mysteries ze nog uit de kast zal halen’. Een ervan is alvast dat de ‘apocriefe’ parabel van de ‘Ark van Noë/Noah’ uit de slotreeks van Bolster de hand reikt aan ‘Tegeltjeswijsheid’, het openingsgedicht van Van alles de laatste: ‘Adam werd 930, Seth 912’. Daarmee is symbolisch tegelijk de fragiele boven- of ondergrens aangegeven van elke hier aantredende figuur. Op het vers sluit volgend beeld aan: ‘ze nadert hun tijden / met een man in een urn’. Tweezaamheid omgezet in eenzaamheid, een radicale reductie die in het slotgedicht ‘Het bewaren van een mens’ wordt omgekeerd, zij het in een museale omgeving ‘achter glas’: ‘uit je botten bouwde ik / twee nieuwe lichamen / profeten van een oud geloof / een tweeling die bestond / uit goed en kwaad’.
In Vos’ gedichten wordt een weinig opwekkende wereld opgeroepen waarin noch het betreden, noch het verlaten ervan feestelijk te noemen valt. Het eerste blijkt uit ‘Geboortevers’, dat halfweg de reeks ‘flarden en fabels’ prijkt en waarin deze verzen flonkeren: ‘de ballon wordt haastig doorprikt / de knal hoor ik nauwelijks’. Gejuich stijgt niet op, wél de averechtse echo van T.S. Eliots ‘The Hollow Men’: ‘This is the way the world ends / Not with a bang but a whimper’. Dat het verlaten van de wereld voor ouderen evenmin evident is, blijkt bij uitstek uit de driedelige reeks ‘stad onder aarde’. Daarin wordt een kelderruimte opgeroepen waarin het makkelijk afdalen is, maar eruit ontsnappen allerminst: ‘het is niet het labyrint dat longen / voor lucht afsluit, krult als een vraag / waarvoor geen draadje wol bestaat / om de weg terug te wijzen’. Een knipoog wellicht naar het advies in ‘Afscheidsritueel’: ‘knoop alvast een rode draad / om je gezwollen lichaam’. En naar de draad van Ariadne, die Theseus afwikkelt in de spraakmakende mythe.
Dankzij referenties aan de – Germaanse of Slavische – mythologie, aan de Bijbel en talloze verwijzingen naar sprookjesmotieven bouwt Vos aan een even mysterieuze als schimmige tussenwereld, die dwars staat op de zichtbare werkelijkheid. In die tussenwereld, prachtig geëvoceerd in de fotografie van Eddy Verloes (1959), speelt de morfologie van het sprookje een wezenlijke rol. ‘Ondanks het kruimelspoor’ vinden haar personages ‘de weg niet naar huis / de vloek van dit verhaal / wordt niet opgeheven’ (‘Morfemen’). Voor de lezer is de weg naar déze bundel alvast een must!