Mensen denken vaak dat gedichten lijken op het gekwinkeleer van vogels: ze zouden er zijn omwille van zichzelf en voor zichzelf spreken. Maar in het geval van Nikolaas Demoen (1965) vergissen ze zich zeker. In eerste instantie lijkt de titel van zijn bundel Zwijgzame zangvogels inderdaad te zeggen dat literatuur weinig of geen commentaar nodig heeft: dichters zwijgen het liefst over wat ze nu en dan zingen. Maar de paradox is in tweede instantie natuurlijk dat ze onvermijdelijk toch zingen en doen wat ze moeten doen (het zijn nu eenmaal ‘zangvogels’), ze blijven niet zwijgzaam, laat staan dat ze volledig zwijgen. Het zo belangeloos lijkende zingen krijgt alleen al betekenis zodra het uitgestoten wordt, het wordt ongewild een statement: we zijn hier en geven schoonheid af.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: