Dit artikel is gratis.

Zo eens in de vier, vijf jaar levert Anton Korteweg (1944) een puntgave bundel af die getuigt van het vorderen van zijn leven en van het leven in het algemeen, plus alle ongemakken en gekkigheden die daarbij komen kijken. Getoonzet in fijn rijmende, korte gedichten vol ironie, soms vrolijk, vaker grimmig. Alleen al de titel van zijn nieuwste bundel brengt in het doorgeslagen ik-tijdperk onmiddellijk een grimlach op het gezicht: Ik, om maar iemand te noemen.

Ouder worden valt niet altijd mee. Je kunt er toch maar het best een beetje blijmoedig onder blijven, aldus Korteweg. Een van de gedichten in Ik, om maar iemand te noemen is getiteld ‘Z’n gangetje’ – het antwoord dat in Nederland vaak gegeven wordt op de vraag: hoe gaat het? Maar dat gangetje getuigt van neergang en eindigt aldus: ‘Nog even en je hebt geen been om op te staan. / Wat rest is vrolijk neuriënd aan ’t eind der baan / met uitgestreken smoel de pijp uit gaan.’ Vrolijk, jawel, grimmig ook.

Meer dan in de vorige bundels heeft Korteweg oog voor de toestand in de wereld. Een sombere tijd schept sombere gedachten, citeert hij Henriette Roland Holst – veel oude, soms bijna vergeten dichters worden in de bundel terloops geciteerd. Het valt niet mee om opgewekt te blijven: ‘Stap maar eens met ‘t goede been uit bed / met dank aan Poetin, Gaza, Trump, de PVV!’ Toch kust het leven hem elke morgen weer wakker: ‘Het sleept me bij de haren uit de slaap / de dag in. ’t Is nog steeds op me gesteld./ Ik mag nog meedoen. En dat is wat telt.’

Diverse gedichten vormen samen kleine reeksen. Over de moeder, over bloemen en over fietsen. Er wordt veel gefietst in Kortewegs poëzie. Fietsen is voor de dichter een manier om zijn gedachten omhoog te malen, vertelde hij in 2016 in een interview met Poëziekrant . Tekenend en grappig is het gedicht waarin de dichter voorbij wordt gefietst door een ‘kwieke fietserin’ die hem toeroept ‘Jongen, het komt wel goed met jou. Hou vol. Je komt er wel.’ Brommend fiets hij verder, tot hij haar even later wanhopig met pech aan de kant ziet staan: ‘Ik flitste haar voorbij met strakke blik: / lieve, inhalerige, stomme moedergriet, / net goed, gerechtigheid. Zoiets. Ik riep het niet.’

Aan het slot is er nog een minireeks die een eerbetoon is aan Guido Gezelles gedicht ‘’t Er viel ’ne keer’, over een blaadje dat in de rivier de Mandel valt en bekeken door Gezelle het beeld wordt van de ziel die wordt opgenomen door God. De afvallig gelovige Korteweg heeft er graag oog voor en schurkt zich er poëtisch tegenaan, maar komt uiteindelijk toch tot een aards besluit:

Treurig genoeg deed het me helemaal niets
en kwam ik, lekker uitgepist, niet verder dan de vraag:
heb ik nou eigenlijk wel of niet een ziel
zoals Bladje die in de Mandel viel?
Nou ja, ik had in elk geval een prima fiets