Joost Baars, die de redactie deed, heeft me lang aangemoedigd te blijven zoeken naar de goede volgorde van de gedichten. Op zolder had ik alle gedichten op de vloer neergelegd. Dagen achtereen bleef ik schuiven met die papieren, op zoek naar de meest natuurlijke opbouw. Ik voelde een grote opluchting toen we allebei dachten: ‘Ja, dit is het.’ Maar het was pas echt af toen ik bij de zwemles van mijn zoontje zat en nadacht over Āhoo Daryāyi, de studente uit Teheran die in haar ondergoed over straat liep als protest tegen de moraalpolitie. Haar naam betekent letterlijk ‘Gazelle van de Zee’. In haar protest kwam veel voor mij samen: het verzet tegen het patriarchaat; niet thuis zijn in je thuisland; vrouw mogen zijn; en de poëzie van haar naam, die dit allemaal verbond. Tijdens die zwemles schreef ik de eerste versie van ‘Zeegazelle’, het laatste gedicht uit de bundel. Na het schrijven van dat gedicht was de bundel af.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: